Veritas: garen en band

Bij de presentatie van Tussen waarheid en wijsheid en God - iets of niets?
Ger Groot

Ger GrootBij het openslaan van de bundel Tussen waarheid en wijsheid werd ik zonder het zelf te willen meteen slachtoffer van wat ik maar 'waarheidsironie' zal noemen. Het tweede deel ervan heet De dominicaanse zoektocht naar veritas. Ik zag het in de inhoudsopgave en verbaasde mij. Ik onderhoud nogal nauwe banden met Spanje en de Spaanstalige wereld en plotseling draaiden die mij een loer. Het duurde geruime tijd voordat ik begrepen had dat deze sectie van het boek geen case-study bevatte van de situatie in de Dominicaanse Republiek maar gaat over de zoektocht van de Dominicaner orde.
Dat had ik natuurlijk kunnen weten; ik had het moeten weten, maar niettemin was mijn natuur (of wat mijn natuur geworden was) sterker dan mijn oordeelsvermogen. Vanuit die natuur situeren, percipieren en evalueren we alles wat we zien. En zelfs wanneer dat bij nader inzien fout blijkt te zijn, blijft het als een ongemakkelijk stemmetje steeds weer verwarring scheppen. Het stiekeme verlangen om toch nog iets Caribisch te horen doorklinken in wat ik te lezen kreeg, heeft mij bij het doornemen van deze bundel niet meer verlaten. Het dichtst wat in de buurt kwam, was nog Erik Borgmans uiteenzetting over waarheid als een vorm van jazz.

Dat is niet de enige reden waarom ik hier mijn reactie op deze boeken opschrif met een zekere schroom. Beide zijn zeer intrigerend en bijzonder rijk - maar bestrijden te samen ook een veel te groot veld om daarin in kort bestek recht te kunnen doen. Daarom wil ik mijn commentaar en vragen toespitsen op iets wat mij in het bijzonder intrigeert. Daarmee kom ik vanzelf weer bij mijn aanvankelijke vergissing terug. De anekdote die ik hierboven vertelde zou immers niet meer zijn dan dt, als ze niet de vinger legde op de bijzondere vorm van bevreemding (misschien zelfs vervreemding) die ik voel bij het lezen van beide boeken, zij het bij het n meer dan bij het ander.

'Wij zijn christelijk'
Om te beginnen een bekentenis: ik ben geen gelovige. Ik betwijfel zelfs of ik christen ben - wat mij er overigens niet van weerhoudt me tot in mijn wezen katholiek te voelen. Dat mag paradoxaal klinken, maar in mijn vroegste jeugd heeft mijn moeder dat onderscheid er bij mij al profetisch ingehamerd. 'Mama, wij zijn christelijk, h?' zei ik haar een keer tegen haar bij het thuiskomen uit de lagere school, waar ik dat op de godsdienstles geleerd had. Zij ontstak in grote verontwaardiging: 'Wij zijn helemaal niet christelijk. Wij zijn katholiek'. 'Christelijk' betekende voor haar zoiets als Nederduits-hervormd, voor zover wij vanuit onze zuil al die protestanten al uit elkaar konden houden. Hoe dan ook: 'christelijken' waren wij niet.

Vanuit die onchristelijkheid, en ook vanuit het in mijn vroege puberteit al traumaloos omarmde athesme, lees ik beide boeken. En opnieuw voel ik mij bevreemd. Het vocabulaire dat ik erin aantref, herken ik vanuit mijn jeugd. En ik herinner het mij eens te meer uit de tijd waarin ik zelf - reeds overtuigd ongelovig - theologie studeerde. Maar die herkenning maakt de wijze van spreken en denken van deze boeken voor mij misschien nog wel vreemder. Ik teken daarbij onmiddellijk aan: in God - iets of niets? is dat in mindere mate het geval, omdat de discipline van het denken daarin eerder filosofisch dan theologisch is. Maar in zoverre ook de theologie daarin een woordje meespreekt, steekt de bevreemding daarin net zo goed af en toe haar kopje op.

Wat er - voor zover het mij betreft - in deze boeken aan de orde is, is in belangrijke mate een kwestie van vocabulaire, vertoog en de (vanzelfsprekende) regels daarvan, Vorverstndnis of voor-oordeel en de moeizame vraag naar de zeggingskracht daarvan ver de grenzen van cultuur, geloofsbelijdenis en academische discipline heen. Wat blijft daarin behouden aan waarheid wanneer we zo'n overstap maken? Dat is de meest pregnante vraag die zich dan stelt. Of misschien iets ruimer geformuleerd: wat blijft er behouden aan begrijpelijkheid? Dat laatste dient zich aan in een dubbele betekenis: begrijp ik wat er staat? En vervolgens: begrijp ik waarom het er staat?

Om met het eerste te beginnen: met te begrijpen wat er staat heb ik in deze boeken geen enkele moeite. De zinnen zijn welgevormd, de redeneringen formeel correct en moeiteloos te volgen. Wat dat betreft is er geen probleem - en dat mogen de schrijvers en redacteuren zich gerust aanrekenen als compliment.

Wanneer ik vervolgens de vraag stel waarom het er staat, wordt de confrontatie scherper en verschuift ze naareen dieper niveau. Het gaat dan niet meer om formele maar om inhoudelijke criteria. En dan blijkt een (volstrekt willekeurig uit de tekst geplukte zin als 'door God lief te hebben, hebben wij Jezus lief' aanzienlijk lastiger dan zich in eerste instantie laat aanzien. Bij het liefhebben van een historische persoon als Jezus kan ik mij nog wel wat voorstellen. Maar bij het liefhebben van 'God' gaat dat al een stuk moeilijker. Want wat of wie is die 'God' die ik berhaupt - al dan niet - zou knnen liefhebben.

Die vraag klinkt als een tamelijk banale gemeenplaats - maar dat is ze misschien niet zonder reden. Wat God 'is', heeft nog nooit iemand kunnen zeggen, in weerwil van alle scholastieke definities waarin vooral Dominicaanse theologen (uit de orde dus, niet uit de Republiek) zo goed waren. Het 'thesme', zoals Taede Smedes dat noemt in zijn razend interessante boek, had er wel een hl duidelijk beeld van, maar verried daarmee tegelijkertijd het eigenlijke religieuze. Dat constateert de door Smedes aangehaalde Theo de Boer met wie ik samen het boekje Religie zonder God schreef. Het is bovendien een bij uitstek modern idee, voortgekomen uit de cartesiaanse rationaliteit, aldus Smedes.

Code G.O.D.
Misschien is dat zo, maar ik denk dat ook vr die moderniteit (en misschien wel vooral daarvr) gelovigen zich van hun God een min of meer welomschreven voorstelling maakten. Ook daarin waren zijn persoons-karakter en het feit dat de gelovige met hem in direct contact kon treden heel belangrijk. Dt idee van God is niet zo gangbaar meer, zo stelt Smedes vast. In de plaats daarvan zijn bredere aanduidingen gekomen als Tillichs ultimate concern, waarbij Smedes zich graag aansluit. In zijn diverse varianten leent het zich bovendien voor ruimte toepassing in een multiple religious world, waaraan Tussen waarheid en wijsheid zich zoveel gelegen laat liggen.

Er vindt dus een verschuiving plaats in de betekenis van het woord 'God' - maar tegelijk blijft de manier waarop het in de oorspronkelijke betekenis gebruikt wordt ook bewaard. Niet alleen als vokabel in een gedicht of personage in een verhaal, maar wel degelijk ook werkelijk: als iets dat (of beter iemand die) ik nog steeds kan 'liefhebben'. En daar begint het te wringen. Want liefhebben kan ik een persoon en liefhebben kan ik k een 'levensroeping' of een ervaring van de realiteit (bijv. als ultimate concern), maar het zijn wel twee totaal verschillende soort van liefhebben - ook al gaan ze schuil onder n en hetzelfde woord.

En nu begint mijn bevreemding (en vervreemding) contouren te krijgen. In hun lofwaardige poging het religieuze voor een hedendaagse, zo men wil post-thestische en religieus meervoudige wereld relevant te maken moeten deze boeken in hun vocabulaire wel een transformatie doormaken, maar die blijft altijd tweeslachtig. De ne n de andere betekenis blijft behouden, en ze komen al naar believen tevoorschijn op de momenten die vragen om het een f het ander. Dat is een bijzonder effectieve strategie, en als leergang is ze ook goed te billijken - want het denken moet een verandering doormaken en daarmee vloeibaar worden. Maar het blijft niet vloeibaar, en aan het eind van de rit wil althans de filosoof in mij weten: wat bedoelen we nu wl en niet met dit vocabel, of zoals Theo de Boer de dichter Achterberg citeerde: 'de code G.O.D.'?

Let wel: ik heb het hier niet over pozie, over verhalen, over psalmen en zelfs liturgische teksten. Ik heb het hier over het academisch-rationele genre waartoe deze boeken behoren. Ik heb ze al geprezen om hun het feit dat ze in dat opzicht formeel prima in elkaar zitten - maar wie toen tevreden knikte zit nu, naar ik vrees, wel met de gebakken peren. Want in beide boeken sluipt inhoudelijk (d.w.z. met betrekking tot de vraag: wat betekenen deze woorden) een onhelderheid binnen die hun doelstelling maar al te goed dienstbaar is. De God van het 'thesme' wordt een 'besef' ten aanzien van de werkelijkheid - maar dat is wel iets anders. 'Waarheid' wordt van een eigenschap van proposities een existentieel gegeven: 'waarheid is leven in de waarheid is waarachtigheid.' Well roared, lion, zou een Engelsman, ongetwijfeld sterk Brexit-geporteerd, hebben gezegd - maar opnieuw: het zijn verschillende dingen.

Ik vrees dat dit proced, dat in beide boeken nogal eens de kop opsteekt, het net iets te makkelijk maakt om aan het slot ervan tot een bevredigende consensus te komen. Ik overdrijf wat - maar niet heel veel, denk ik, wanneer die in het ene geval luidt: athestische denkers onderkennen ook 'iets religieus', en in het andere: alle gelovigen, en zelfs ogenschijnlijk ongelovigen, is het in het leven uiteindelijk om hetzelfde te doen.

Daar kun je vele kanten mee op - k kanten die op zich helemaal niet zo onzinnig zijn. Maar ik ben bang dat daardoor een aantal hardnekkige verschillen in deze oecumene der vocabulaires stilzwijgend verdwijnen, of misschien moet ik in deze tijd van flexibiliteit zeggen: afvloeien. Er zijn tussen  de verschillende religies wezenlijke onoverbrugbaarheden, die zich handhaven over alle goede bedoelingen heen. Of het streven naar leegte van de boeddhist en het streven naar gerechtigheid van de christen werkelijk verenigbaar zijn, betwijfel ik - ook al kunnen ze elkaar tot op zekere hoogte begrijpen, of althans met elkaar praten.

Addertje
Maar praten - de eerste vorm van begrijpelijkheid waar ik het zojuist over had - veronderstelt om te beginnen een duidelijk vocabulaire, waarin is afgebakend wat iets wl en wat iets net betekent. Is dat niet aanwezig, dan ligt de consensus misschien net zo gemakkelijk binnen handbereik als ze bedrieglijk is. Als de werkelijkheid cht pluriform is, dan kent ze ook breuklijnen waaroverheen men misschien wel naar de andere kant kan springen, maar die zich als breuklijn niet zomaar laten dichten.

Dan is het voor de conceptuele helderheid van groot belang dat die breuken in de realiteit corresponderen met duidelijk omgrensde concepten, bestierd door een simpele binaire logica van wel en niet. Wanneer deze beide boeken pleiten voor een doorbreking daarvan, kan ik daarvoor wel sympathie opbrengen. Maar die doorbreking blijft uiteindelijk verankerd in datgene wat ze doorbreken wil, en daarin dus is voorbestemd voor een eeuwige herhaling.

De ironie wil dan ook dat deze voortreffelijk geschreven en academisch zeer verantwoorde boeken dat alleen maar kunnen doen door zelf voortdurend en van zin tot zin schatplichtig te blijven aan deze logica: ook dat is het addertje dat schuilt onder mijn eerdere compliment. Wie wil, moet maar eens met een loep door deze boeken heengaan. Zodra er ergens gepleit wordt voor een 'vloeibaar' of 'meervoudig' maken van enkelvoudige, binaire begrippen, gebeurt dat tegelijkertijd in de vorm van: 'niet dit maar dat' - en dat is zo binair als maar kan.

Natrlijk is dat zo. We kunnen eenvoudigweg niet anders, willen we berhaupt nog blijven denken en spreken. En jazeker: aan gene zijde van dat denken ligt iets anders. Wt dat is, mag ieder voor zich invullen. Maar laat ik, als athestische cultuurkatholiek ('Alle katholieken zijn cultuurkatholiek,' zei NRC-journalist Sjoerd de Jong ooit schertsend - maar hij had gelijk) zeggen wat dat voor mij wel en vooral net is. 'Aan gene zijde' van het denken ligt wat mij betreft het zuiver materile - dat ik in deze twee boeken helaas te weinig naar voren zie komen.

Dat materile is niet iets dat 'mij roept' of waarin ik mij al van begin af aan geborgen weet, maar het materile dat mij vreemd en en vooral: dat niets terugzegt. Het stoot mij weg uit mijn idealistische zelfbewustzijn waarin ik dreig samen te vallen met mijn eigen gedachten, maar het vangt mij net op in een ander 'ideaal'. Het ontzet alleen maar de vanzelfsprekende vertrouwdheid waarin ik nabij ben aan mijn gedachten, zo nabij dat ik hen onwillekeurig voor de wereld zelf houd. Die ontzetting maakt mij, op cruciale momenten van mijn leven, duidelijk: de wereld is echt en zij ontsnapt mij in mijn gedachten en n mijn gedachten. Maar daarmee is ze nog geen God - en ook niet zoiets als God - al gun ik ieder het gebruik van Diens naam.

Nee, christelijk ben ik al lang niet meer - en gelovig ook niet, hoezeer ik het religieuze ritueel ook fascinerend en onontbeerlijk mag vinden. Niet omdat God daarin is, maar omdat er iets gebeurt dat - als zich herhalende gebeurtenis - niet tot het denken te reduceren valt en precies drin het andere ervan is. Misschien wel zoals de jazz, waarop Erik Borgman wees - al is mij de son van Cuba of de Dominicaanse merengue misschien nog wel liever.
Is dat, op mijn manier de dominicaanse zoektocht naar veritas? Ik weet het niet - want opnieuw wordt ik door een verwarrende homologie afgeleid. 'Veritas' is in mijn geadopteerde woonplaats Brussel k de naam van een winkelketen in knopen, garen en band.

Ger Groot doceert filosofische antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en was hoogleraar 'Filosofie en literatuur' aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hij is medewerker filosofie en literatuur bij NRC-Handelsblad en columnist bij Trouw.





Dominicaans Studiecentrum
voor Theologie en Samenleving
Nieuwe Herengracht 18
1018 DP Amsterdam
Tel. 020-6235721
secretariaat@dsts.nl
www.dsts.nl

DSTS 2016
home | wat is het dsts? |  onderzoeksproject |  medewerkers
publicaties | Project W!J | organisatie |  links