Peter Nissen
De slapeloze nacht van de
aartsbisschop.
Recensie van Buigzame gelovigen,
uitgesproken op het symposium
Op zoek naar een nieuw 'wij', 15 maart
2008
Wellicht ten
overvloede: zoals in elke parabel berust iedere gelijkenis met bestaande
personen of situaties op louter toeval.
Ik heb de afgelopen
week gedroomd dat ik de nieuwe aartsbisschop van Utrecht was. Ik had,
ondanks de vastentijd, nogal zwaar getafeld en dan kun je wel eens zo’n
akelige droom hebben. Die droom ging ongeveer als volgt.
Het was al laat in de
avond. De aartsbisschop zat in zijn werkkamer, hoog in de toren van
waaruit hij het aartsbisdom kon overzien. De zusters die voor het
huishouden zorgden, sliepen al. Op de werktafel voor hem lagen altijd
vier boeken. Eerst het kasboek van het aartsbisdom, want de nieuwe
aartsbisschop had beloofd de financiën te gaan saneren. Hij had juist
een briljant plan bedacht, vond hij zelf: als ik dit jaar eens vijf
pastorale werkers minder benoem, kan ik van dat geld honderd jongeren
een gratis reis naar de Wereldjongerendagen met de paus in Sydney
aanbieden, en van die honderd jongeren krijgen er tijdens de reis vast
vijf roeping voor het priesterschap of het kloosterleven. Dat is pas
slim investeren, dacht de aartsbisschop bij zichzelf. Naast het kasboek
lagen de Catechismus van de Katholieke Kerk, het Kerkelijk Wetboek en de
Bijbel. Daar las hij ook wel eens in.
Maar vandaag lag er
nog een vijfde boek. Het was hem toegestuurd door een bezorgde katholiek,
die liever anoniem wilde blijven, maar die hem wel vaker iets toestuurde.
‘Dit boek, monseigneur,’ schreef de bezorgde katholiek, ‘is door de
Nederlandse dominicanen mede mogelijk gemaakt. Ik denk dat u ook tegen
dit boek iets moet ondernemen, zoals u dat zo doeltreffend heeft gedaan
tegen de brochure Kerk & Ambt.’
De aartsbisschop
fronste zijn wenkbrauwen. Hij zag dat het boek afkomstig was van het
Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving. Is dat niet het
instituut dat door mevrouw Manuela Kalsky wordt geleid? De aartsbisschop
keek naar het kastje waarin de boetegordel en het geselkoord lagen, die
hij ooit van zijn vrienden van Opus Dei had gekregen. Misschien stond er
wel een foto van mevrouw Kalsky op het boek. Mevrouw Kalsky keek op
foto’s altijd zo ondeugend dat de aartsbisschop meteen het geselkoord te
voorschijn haalde als hij aan haar dacht. ‘En leid mij niet in bekoring,’
bad de aartsbisschop. Zijn gebed werd verhoord: er stond geen foto van
mevrouw Kalsky op het boek.
De aartsbisschop begin
te lezen. ‘Buigzame gelovigen,’ bromde hij misnoegd in zichzelf.
‘Gelovigen moeten juist hun rug recht houden. Ze houden immers vast aan
eeuwige waarheden.’ De aartsbisschop had het zelf nog gezegd, bij de
persconferentie na zijn benoeming. Hij was niet conservatief, maar hij
hield alleen maar vast aan waarheden die nou eenmaal niet veranderen.Dat
is niet een kwestie van conservatief zijn, maar van consequent zijn, had
hij gezegd. Maar halverwege de inleiding van het boek schrok hij even.
Hij kwam zichzelf tegen, dacht hij, toen hij las over een verkrampte
geloofshouding: mensen die het geloof als houvast zien en dat geloof mag
dan niet veranderen. Die houding, zo las hij, zit vol risico’s:
sektarisch isolement en zelfuitsluiting, interreligieuze conflicten en
wederzijds onbegrip. Het zal wel, dacht de aartsbisschop. Maar hij las
toch verder. Want hij had ook al gelezen dat er geen gelovigen zijn dan
juist buigzame gelovigen, ja dat flexibiliteit een gegeven is in alle
religieuze tradities, omdat die nu eenmaal altijd op een bepaalde manier
reageren op hun culturele en maatschappelijke omgeving. Ja, dacht hij,
dat doe ik ook, door namelijk die omgeving consequent de onveranderlijke
waarheden van het geloof voor te houden. Ruggengraat, dat was nodig.
Maar oei, nu las hij in de inleiding dat de samenstellers van het boek
óók pleiten voor flexibiliteit met een ruggengraat. En dat, zo las hij,
is heel iets anders dan zomaar meewaaien met alle winden. Religieuze
flexibiliteit gaat om stevigheid in combinatie met buigzaamheid, om de
deugd van het juiste midden. De aartsbisschop werd onzeker. Had hij niet
juist in de katholieke moraaltheologie geleerd dat het om dat juiste
midden gaat? Hij hoorde de klokken van de domtoren twaalf uur slaan,
toen hij halverwege het eerste artikel was. En hij wist: er begint een
nieuwe dag. God is niet het antwoord op al onze vragen, zo leerde hij
uit dat artikel, maar Hij is zelf de nooit eindigende vraag, het open
geheim. Een religie die niet openstaat voor de dynamiek die daaruit
voortvloeit, die verpietert. Dat willen we niet, dacht de aartsbisschop,
en hij las verder. En hij begon het steeds spannender te vinden wat hij
las: over meervoudige religieuze identiteit en over het belang van
innerlijke regie daarbij, over de caleidoscopische creativiteit van
jongeren in het omgaan met religie en over het belang van het vertellen
van religieuze verhalen. De aartsbisschop was al over bladzijde 100 heen
toen hij weer even in verwarring gebracht werd. Hij las daar een artikel
van een godsdienstsocioloog die uiteenzette dat flexibele kerken geen
succes hebben. Wil je succes hebben, dan moet je conservatief en
orthodox zijn. Je moet sektarische trekken hebben, je moet offers vragen
van de gelovigen, je moet veeleisend zijn. En de aartsbisschop dacht
weer even aan de jongeren die hij mee wilde nemen naar Sydney. En hij
dacht aan de Nieuwe Bewegingen met een hoofdletter omdat ze door Rome
erkend zijn. Zo mag ik het horen, dacht de aartsbisschop nog even, een
man naar mijn hart. Maar dat hart begon toch te twijfelen. Zijn die
Nieuwe Bewegingen niet een vluchtplek, een stormvrije zone in een
dynamische wereld? En is het niet veel interessanter wat er buiten die
stormvrije zone gebeurt?
Op de socioloog volgde
in de bundel de antropoloog, en die bracht uitkomst. Hij maakte de
aartsbisschop duidelijk aan welke begripsvernauwing iemand kan lijden
die alleen nar de institutionele kant van de religie kijkt. De
antropoloog pleitte ervoor naar religie als spel te kijken, spel
verstaan als het tegelijk hanteren van meer werkelijkheden. ‘Er is’ zo
las de aartsbisschop ‘in onze tijd, meer dan ooit tevoren, ruimte
gekomen om zonder toezicht van bovenaf alternatieven uit te proberen, te
proeven, te verkennen – en eventueel weer af te wijzen. Dankzij dit
heilige spelen kan God van buiten naar binnen migreren.’
De aartsbisschop
raakte opgewonden en las verder, en toen wist hij het zeker. Hij las in
het derde deel van de bundel over het speelse van een flexibele
religiositeit, hij las over kunst, over het democratische debat, over
verhalen vertellen, over zorg voor alle levensvormen in de natuur, en
dat allemaal als toegangen tot religiositeit. En toen wist hij: er
gebeurt iets daarbuiten dat spannend is, en ik wil het niet missen. Het
is de schoonheid van tienduizend bloeiende bloemen.
Toen de aartsbisschop
het boek uit had, begon het al dag te worden. Hij hoorde beneden
gestommel. De zusters waren al wakker. De aartsbisschop daalde de hoge
trap in zijn toren af. ‘Zuster Amalia, zuster Alexia, zuster Ariane, doe
geen moeite. Ik smeer vandaag mijn eigen boterham. Jullie hebben vrij
vandaag. Jullie hebben altijd vrij. Ga iets leuks doen vandaag. Ga
buiten spelen. We gaan de tent hier sluiten. Onze toren wordt een
museum, het nieuwe Land van Ooit. En ik ga tussen de mensen wonen. Er
gebeuren daar op levensbeschouwelijk gebied zulke interessante dingen.
Ik heb daar vannacht een boek over gelezen.Ik wil erbij zijn. Ik wil het
meemaken.’
Toen werd ik wakker.
Mijn droom was voorbij. En op mijn nachtkastje lag de drukproef van
Buigzame gelovigen.