Nienke van Dijk
Balanceren op de evenwichtsbalk.
Recensie van Buigzame gelovigen,
uitgesproken op het symposium
Op zoek naar een nieuw 'wij', 15 maart 2008
Als kind was ik dik en lenig,
meegaand en koppig. Een soepel propje op de evenwichtsbalk, en bij weigering
niet meer in beweging te krijgen. U begrijpt gelijk waarom ik gevraagd ben om
het boek Buigzame gelovigen te bespreken. Sommige dingen veranderen
niet.
Buigzame gelovigen. Een
prachtige titel, een vondst. Buigzaamheid verwijst naar wat gelovigen doen:
zich buigen voor wie heilig is, groter dan zij. Buigzaam ook omdat het verwijst
naar lenigheid, soepelheid, het aannemen van andere vormen. De ondertitel
luidt: essays over religieuze flexibiliteit, waarmee men doelt op het
flexibel omgaan met de eigen religie en levensbeschouwing in een wezenlijk
multireligieuze context. Religieuze flexibiliteit is een gegeven in alle
religies, zo luidt de stelling en religieuze flexibiliteit is een middel,
een deugd, die onmisbaar is in de interreligieuze dialoog, een positie tussen
halsstarrig fundamentalisme en vloeibare grenzeloosheid. Het boek zoekt naar
de relevantie van het begrip religieuze flexibiliteit voor de eigen
verschillende tradities, voor de religieuze identiteitsvorming bij jongeren
en andere zoekers, en verkent thema's in de wereld die nieuwe vragen stellen
aan religies en daarmee nieuwe antwoorden naar voren brengen.
De auteurs in het eerste
gedeelte van het boek hebben zo hun vragen bij de relevantie van het begrip
religieuze flexibiliteit voor hun eigen traditie. Dat is niet omdat zij vinden
dat hun tradities niet zouden hebben aangetoond flexibel te kunnen zijn, maar
omdat er dingen zijn die je niet kunt opgeven, precies omdat ze heilig zijn.
Zo vindt Marcus van Loopik dat de joodse traditie ten opzichte van
christendom en islam nooit het uitgangspunt kan opgeven een zelfstandige
godsdienst te zijn en niet gezien mag worden als voor- of achterloper van
christendom of islam. Nahed Selim meent dat er weliswaar impliciete
flexibiliteit in de islam is, bijvoorbeeld door het toestaan van
uitzonderingen in de voedselvoorschriften, maar dat er voor bijvoorbeeld
een praktijk van bevrijding van vrouwen een andere visie op de geest en
letter van de Koran nodig is. Dit criterium kan niet gevonden worden in het
begrip religieuze flexibiliteit zelf en dat ben ik met haar eens. Als
religieuze flexibiliteit in zichzelf een doel is, en er geen criterium is
waaraan waarden of praktijken worden gemeten, kan het voorkomen dat er begrip
is voor bijvoorbeeld lichte vormen van vrouwenbesnijdenis, omdat godsdiensten
nu eenmaal het recht hebben om van hun gelovigen kuisheid te vragen. Voor de
goede orde: daarvoor vindt men geen pleidooi in dit boek, maar het kan een
consequentie zijn van het betrachten van mildheid tegenover dat wat mensen
voor geloofswaarheid houden. Anders gezegd: in het begrip religieuze
flexibiliteit zelf is geen criterium om het neerbuigende karakter van
godsdiensten onder kritiek te stellen.
Ik voel mij dan ook thuis
bij het pleidooi van Leo Oosterveen om in dubbele zin ruimte te maken: voor
het vertellen van verhalen van betekenis en voor het toewenden naar vragen
die zich voordoen in de context, zoals bijvoorbeeld de kritische praktijk
van het werk van mijn organisatie (Stek, voor stad en kerk) in de stad met
kwetsbare mensen, praktijken waarin we zoeken naar wat heilig is, wat
bevrijdt en verzoent. Wij ontmoeten daarin mensen van verschillende afkomst
en godsdienst.
Het begrip religieuze
flexibiliteit speelt daarin vooral de rol die Chris Doude van Troostwijk in
zijn slotartikel beschrijft, nl. als functioneel begrip, een open vraag naar
de existentiële betekenis van religie, een antwoord op levensvragen,
fluctuerend van persoon tot persoon, van levensfase tot levensfase, van tijd
tot tijd, van cultuur tot cultuur. Een voorbeeld: wat gebeurde er in de
kleedkamer toen een Marokkaanse man, een Surinaamse man en een Nederlandse
man zich uitkleedden? De Surinaamse man maakte er een grap van en deed een
vrolijke striptease, tot ergernis van de Marokkaanse man. De Nederlandse man
reageerde nuchter en trok zijn zwembroek aan. Omdat deze mannen met elkaar
samenwerkten was de spanning in de groep die er ontstond een probleem. Het
kon opgelost worden door naar betekenissen te vragen: wat betekent bloot in
jouw cultuur? Hoe heeft dat te maken met jouw godsdienst? Wat betekent dat
voor jou?
Door deze benadering
ontstaat begrip en soms ander gedrag. Zelf heb ik bijvoorbeeld van moslims
geleerd om te letten op mijn omgang met boeken. Ik weet en houd er rekening
mee dat de Koran niet open hoort te liggen als hij niet wordt gelezen. Maar
dat wil niet zeggen dat ik dat met de Bijbel ook doe; het hoort bij mijn
spiritualiteit dat de Bijbel open is, dat de Geest door de Bijbel en zijn
lezeressen heen waait. Ik herken mij dan ook wel in pleidooien voor een
zelfstandige, geïnspireerde omgang met de eigen tradities zoals die voor de
mystiek in de islam, maar niet in de pleidooien voor transreligiositeit.
Deze zelfstandige
geïnspireerde omgang laat zich in de woorden van Erik Borgman leiden door
criteria van menselijkheid, door verantwoordelijkheid voor elkaar, voor een
goed leven voor allen. Het gaat erom de religieuze tradities zo te
interpreteren dat zij in het lopende debat, vanuit deze principes,
zeggingskracht hebben.
Het mooiste voorbeeld
daarvan is het artikel van Inez van der Spek. Zij beschrijft daarin het werk
van de joodse homoseksuele kunstenaars Gil en Moti die in het scherpe
Joods-Palestijnse conflict op zoek zijn naar hun derde geliefde, een
Arabische man. Zij schrijft over een ontroerende scène waarin de joodse
mannen een Arabische man wassen, een tegenbeeld, een ritueel gebaar van
kwetsbaarheid, zorg en liefde in een context van religieus en politiek
conflict en uitzichtloos geweld. Zij verbindt dit met het werk van de joodse
theologe Melissa Raphael die zoekt naar sporen van Gods aanwezigheid, de
Shekina in Auschwitz en die deze vindt in de zorg van vrouwen voor elkaar,
die elkaar in de meest vervuilde situatie denkbaar wassen of doen alsof ze
elkaar wassen, tegen de vernieling van menselijkheid in. Het is een
aangrijpend artikel, dat aangeeft hoe je door andere religieuze tradities
geïnspireerd kunt raken en je daarmee verbonden kunt voelen. Maar in het
licht van de opmerkingen over de joodse godsdienst, de eigen geschiedenis
daarvan en de historische rol van christenen daarin kan ook dit geen
aanleiding zijn voor transreligiositeit.
Voorlopig houd ik het op
het belang van religieuze flexibiliteit als gewenste gedragscompetentie in de
interreligieuze dialoog.
Om te balanceren op de
evenwichtsbalk.