







|
Toespraak van Désanne van Brederode bij de presentatie van
Nader tot U? Meer moderne devoties op 8 maart 2007 te Amsterdam
Een paar jaar geleden publiceerde de journaliste Samira Abbos een bundeling
met interviews met moslims onder de titel De moslim bestaat niet. De titel
dekte de lading; vrijzinnige en orthodoxe, mystieke en praktische moslims
werden erin aan het woord gelaten. Mijn zoon, die het boek boven op een
stapel zag liggen, struikelde over dezelfde titel. Verontwaardigd riep hij
uit: ‘Wat is dat voor een mens, dat ze wil doen alsof moslims niet bestaan?!
En jouw vriendin Aicha en de kinderen, en onze buren, en de slager, en jouw
kapster.... Zijn die dan soms allemaal niet echt?’ Ik legde hem uit hoe je
de titel kon lezen - maar terwijl ik met hem sprak begon ik zelf te
twijfelen. De moslim bestaat wel. Niet als fysiek persoon, maar als idee. In
alle hoofden van alle moslims in het boek, leeft de ideale moslim - zoals in
mijn eigen hoofd geleidelijk een beeld is gegroeid van de ideale
christelijke gelovige. Deze ideale gelovige treedt echter alleen aan het
licht als ik me kwaad maak over mezelf, of over anderen die zich gelovig
noemen. In mijn woede onthult zich kennelijk pas wat er voor mij werkelijk
toe doet, en wat ik als bijzaak beschouw. Ik heb geen moeite met gelovigen
die af en toe uit de grond van hun hart vloeken, maar wel met gelovigen die
je koste wat kost willen troosten met spirituele verhalen, die als
parasieten op iedereen met verdriet of pijn afstormen, omdat ze bij hen hun
verhaal van hoop weer kunnen slijten en ‘s avonds in bed kunnen denken ‘Wat
fijn dat ik weer zo’n sukkelaar mocht helpen, dankuwel God.’ Ik haat mezelf
als ik ergens weer een vroom, diepzinnig en bemoedigend praatje heb staan
verkondigen, maar thuis alleen maar moe, chagrijnig en gestresst loop te
doen - mijn ideale gelovige trekt dan de beerput open en roept: ‘Ga eerst
maar eens leven naar je eigen meningen, stomme schriftgeleerde dat je er
bent!’
Het boek dat vandaag ten doop gehouden wordt, zou, in navolging van Abbos’
boek, evengoed ‘De gelovige bestaat niet’ kunnen heten, want na lezing kun
je maar één ding concluderen: er bestaan evenzoveel manieren om te geloven
als er mensen zijn. Het boek brengt niet nader tot God, noch tot wat
wezenlijk zou zijn voor een religieuze levensinstelling, maar het bracht mij
althans wel weer dichter tot mijn ideale gelovige. Juist doordat er ook
voldoende gedachten instaan waar ik, soms onmiddellijk, soms pas bij nader
inzien, moeite mee had. Een aangename sensatie.
De laatste tijd wordt er een tweespalt geschapen tussen gelovigen aan de ene,
en atheïsten aan de andere kant. Voor je het weet zit je met gelovigen van
allerlei gezindten op een kluitje, wordt het wij tegen zij, en ontstaat er
een kunstmatig, uitsluitend door externe factoren geschapen ‘feest der
herkenning’, want ja, vrijwel alle gelovigen hebben in deze tijd gemeen dat
ze iets moeten verdedigen wat te broos, te groots, te alomvattend of juist
te intiem is om met argumenten te verdedigen. Natuurlijk is het soms
heerlijk om je onder gelijkgestemden te weten, en daarin voorziet dit boek
in ruime mate, maar vaak overstemt het juichende gevoel van verwantschap de
verschillen en bedenk je pas weer op de fiets terug naar huis dat je je
geloof eigenlijk heel anders beleeft dan degene met wie je een uur hebt
staan praten, terwijl de ontmoeting een uitgelezen kans was geweest de
verschillen uit te diepen, om zo zowel de ideale gelovige in jezelf als die
in een ander beter te leren kennen.
Misschien vraagt u zich af: ‘Waarom zou ik mijn eigen en andermans ideale
gelovige moeten leren kennen?’ Het antwoord is even simpel als schokkend:
die ideale gelovige kan een monster zijn. Hoe behulpzaam hij ook kan zijn in
woedeaanvallen, bij het leren onderscheiden van hoofdzaken en bijzaken, hij
kan ook jarenlang doen alsof hij er niet is (wees daarom altijd op uw hoede
voor mensen die nooit boos zijn) en zich stilletjes oppompen tot alles
overheersende dictator. De ideale gelovige is daar actief waar u heimelijk
denkt: als iedereen het leven zo zou beleven als ik in mijn beste momenten,
dan zou deze wereld het paradijs zijn. In elk van de stukken in dit boek
steekt deze ijdele plaaggeest wel even zijn kopje om de hoek. Dat is niet
erg, integendeel, dat maakt de verhalen juist zo menselijk. Heel nederig
zegt iemand ‘ik twijfel wel erg veel’ - maar wie beter kijkt, leest tussen
de regels: twijfelden andere mensen ook maar wat vaker. Het is niet zo dat
het boek overloopt van de zelffelicitaties, maar zodra mensen opschrijven
wat ze hebben ontdekt, gevonden of ingezien, treedt de ideale gelovige ook
even naar voren en grijnst zijn smetteloos witte tanden bloot.
Ook Jezus kende een ideale gelovige. Hij ontmoet hem in de woestijn, waar
Hij zich na zijn doop veertig dagen vastend en biddend terugtrekt. De ideale
gelovige houdt de Mensenzoon voor dat Hij alles kan, dat geen wonder voor
Hem onmogelijk is, dat Hij van nu af aan van stenen brood zal kunnen maken -
en hij brengt Jezus daarmee, zoals dat zo prachtig heet ‘in verzoeking’. Als
kind vroeg ik me vaak af waarom Jezus alle aanbiedingen afsloeg; in tijden
van honger gun je de wereld toch een tovenaar die van elke zwerfkei een
kadetje kan maken? En als de toverkracht toevallig in jouw handen wordt
gelegd, wie ben jij dan om die te weigeren?
Zelf denk ik dat Jezus de toverkracht vreesde, omdat hij wist dat hij mensen
daarmee iets groots zou afnemen: hun vermogen om op eigen kracht een eigen
weg te zoeken. In een wereld waarin alle stenen kunnen worden omgetoverd tot
broden, worden alle mensen afhankelijk van die ene tovenaar en dat niet
alleen: zowel brood als arbeid verliezen hun waarde. Arm en rijk, jong en
oud - iedereen kan achterover liggen in de veilige wetenschap dat er voor
hem wordt gezorgd.
Onze ideale gelovige zou best graag in zo’n wereld van vrede, gerechtigheid,
troost en overvloed voor iedereen willen leven en sommige mensen in de
bundel koesteren ook mooie visioenen over een paradijs, een nirvana, een
vreugdevolle wereld, waarin iedere sloeber meetelt en elke zondaar vergeven
of verlost wordt. Maar als je erop doordenkt word je toch kotsmisselijk bij
het idee dat je straks vreedzaam aan een rijk beladen tafel zit met, ik noem
nu maar een paar moedwillig duivelse, volkomen toerekeningsvatbare mensen
als Hitler, Goebbels, Stalin, Sadam Hoessein, Charles Manson, en Marc
Dutroux? Is het eerlijk tegenover hun slachtoffers om te geloven in een God
die uiteindelijk iedereen vergeeft, in een paradijs waarin iedereen meetelt?
Waarom moet iemand als Sabine Dardenne, die 80 dagen bij de doortrapte,
intelligente, exact haar zwakke plekken aanvoelende Dutroux gevangen heeft
gezeten een leven lang verder met de beelden van zoveel sadistisch vernuft
op haar netvlies, en hoeft Dutroux nergens mee in het reine te komen, omdat
hij toch wel ooit vergeven of verlost wordt? Zou zij blij zijn straks aan de
dis te zitten met de man die haar alles heeft ontnomen? Zijn wij niet zelf
misdadig als we iedereen in gelijke mate verlossing gunnen? Ontkennen we
daarmee niet het leed van de slachtoffers? Hun behoefte aan wraak en
vergelding? Alleen zij zijn degenen die kunnen en mogen besluiten hun
misdadigers te vergeven - niet wij. En dan nog is het maar de vraag of de
daders vergeven willen worden. Als er één ding is wat alle gelovigen in deze
bundel gemeen hebben, dan is het dat ze vrijwel geen uitspraken doen over
het Kwaad. Een misdaad wordt opgevat als een ontsporing van een individu -
en met die ontsporing kun je dan weer medelijden hebben, want iemand
ontspoort niet uit zichzelf. Alleen Ruud Lubbers schrijft dat hij in een
externe Duivel gelooft, de overige auteurs lijken van mening dat ieder mens
ten diepste goed is, mits hij zich niet laat leiden door hebzucht,
machtswellust en andere egoïstische neigingen. Dat zegt veel over deze tijd.
Kennelijk durven we nog wel te geloven in goede dingen, maar over wat wij
als fout, zondig, misdadig of kwaad beschouwen zeggen we maar liever niks
meer: stel je voor dat anderen ons in de hoek zullen plaatsen van de
betweterige zedenprekers, die er feilloos van overtuigd zijn aan de goede
kant te staan... Kwaad, duivel, zonde, hel, verdoemenis - nee hoor, met die
ouderwetse woorden hebben wij niks te maken. Dat lijkt reuze menslievend,
nederig, ruimdenkend. Net als veel moeders zijn wij nooit boos, alleen maar
verdrietig. Maar ik vraag me of dit niet eigenlijk verkapte ijdelheid en
behaagzucht is... We willen graag geloven, maar daarbij wel ons positieve,
warme, hoopvolle imago behouden. We hebben oog voor mooie bloemetjes,
eenzame buurmannen, schattige muisjes, zieke Afrikaanse vrouwen, en oog voor
lieden die daar, o, schande, door hun materialistische, rationele blik geen
oog voor hebben; wat sneu voor die mensen. We zijn misschien boos geweest
over wat ons in onze jeugd op de mouw is gespeld, over de onvrijheid van
onze ouders, maar over het algemeen staan we open voor de verhalen van
andere gelovigen, vooral van degenen die zich kwetsbaar opstellen.
Ik denk dat we het zelf met deze houding prima redden, maar ik vrees
tegelijkertijd dat we het kwaad, door het te ontkennen of te verzachten,
steeds meer macht over ons geven. Soms reikhals ik naar de dag waarop
gelovigen zo sterk in hun schoenen staan, dat ze niet alleen een lieve
dialoog met elkaar aangaan, maar elkaar en zichzelf ook durven confronteren
met hun agressieve ideale gelovige. We zijn nu in het stadium van een prille
verliefdheid, komen voorzichtig uit de kast, houden slap elkaars handje
vast, staren elkaar diep in de ogen, en prevelen ‘O, wat lijken we toch op
elkaar, wat is geloven toch prachtig...’ maar ik snak naar die eerste
echtelijke ruzies waarbij we denken dat alles op het spel staat, dat alles
verloren kan zijn, om een dag later te ontdekken dat de liefde zich juist
heeft verdiept, dat we in zijn woede ook de passies van de ander hebben
ontmoet, en dat we in onze driftuitbarsting eindelijk iets hebben getoond
van onze eigen gênante en verheven hartstochten. En oog in oog met het kwaad
moeten we krachten in ons aanspreken die we niet in onszelf hadden vermoed.
Dan pas moeten we geloven en denken alsof ons leven ervan afhangt -
medelijden met iemand voelen en uit mededogen handelen is stukken
eenvoudiger, want daarbij lijd je geen gezichtsverlies.
Dit boek is een beginpunt. Maar ik hoop op een vervolgboek. Waarin alle
auteurs van deze bundel reageren op de stukken van anderen, vooral op die
opmerkingen waaraan ze zich hebben gestoord. Niet omdat ik nou zo dol op
ruzie ben - net als u ben ik ook zo’n halfzacht product van mijn tijd dat
conflicten liever uit de weg gaat, onder het mom ‘ er zijn er al zoveel’. Ik
snak naar scherpe confrontaties. Naar mensen die het aandurven zichzelf in
de strijd te gooien, en dus ook gekwetst te worden, ontmanteld, die met hun
mond vol tanden durven staan bij de vraag: en de duivel dan? Bestaat die?
Waarom niet? Waarom wel? Kunnen we het stellen zonder hel? Pas als we met
onszelf en elkaar durven worstelen en elkaar toch als broeders en zusters in
het religieuze, hoe vaag ook, kunnen blijven zien, zijn we sterke mensen. We
zijn sterke mensen als we onze ideale gelovige durven offeren, de ideale
gelovige die weet hoe de beste wereld voor iedereen er ongeveer uitziet -
zoals Jezus de tovenaar die Hij had kunnen zijn heeft geofferd, opdat wij
niet afhankelijk zouden worden, opdat wij onze eigen strijd niet uit handen
zouden hoeven geven. Niets is meer vernederend dan een ander mens die zegt
dat hij de klus voor jou wel even opknapt.
Voor u ligt een boek dat we zouden kunnen omschrijven als voer voor
ietsisten. Maar ik wil een iemandist zijn. Die door de pijnlijke vragen die
andere iemanden mij stellen sterker wordt, en menselijker. Als we elkaar
strijd ontzeggen, ontzeggen we elkaar groei. Dan smoren we elkaar in de kiem.
Ook dat is een vorm van kwaaddoen.
|

Dominicaans Studiecentrum
voor Theologie en Samenleving
Erasmusgebouw k17.28, Nijmegen
Postadres:
Nieuwe Herengracht 18
1018 DP Amsterdam
Tel. 020-6235721
secretariaat@nieuwwij.nl
www.dsts.nl |