







|
Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving
Jongeren en religie in de netwerksamenleving
De betekenis van Schillebeeckx' 'negatieve ecclesiologie'
Tekst van de lezing door Ton
Zondervan
1. Inleiding
Mijn lezing bevat drie stappen:
1] Eerst leid ik mijn centrale vraag in: waar kunnen jongeren
tegenwoordig met hun religieuze vragen terecht, als ze dat niet of amper
meer kunnen in de traditionele verbanden (gezin, school, kerk)?
2] Om die vraag te beantwoorden moeten we op een nieuwe manier naar
religie zélf leren kijken. De religie verandert in de overgang van een
verzuilde samenleving naar een netwerksamenleving ingrijpend van vorm. Dat
betekent ook dat ze zich sociaal anders gaat manifesteren. En dat heeft
weer gevolgen voor ons nadenken over de organisatie van religieuze vorming
van jongeren.
3] We zullen ontdekken dat het in het bovenstaande om méér gaat dan
alleen die religieuze vorming van jongeren. Met de ingrijpende verandering
van de vorm van de religie, zou ook de gestalte van de kerk zélf moeten
veranderen. Daarbij is Schillebeeckx’ idee van een ‘negatieve
ecclesiologie’ belangrijk.
2. Jongeren en religie in de netwerksamenleving
2.1. Religieuze vorming van jongeren ná de ontkerkelijking
In de verzuilde samenleving werden in de confessionele zuilen jongeren
religieus gevormd in het gezin, de school en in het club- en jeugdwerk. In
al die pedagogische milieus speelde de kerk een belangrijke rol. Jongeren
verwierven zo een diep verankerd besef dat ze tot een bepaalde culturele
groep in de Nederlandse samenleving behoorden die een eigen religieuze
identiteit had. Met de ontzuiling is dat alles ingrijpend veranderd. In de
meeste gezinnen vindt weinig geloofsoverdracht meer plaats. Hetzelfde
geldt voor het club- en jeugdwerk. De kerk weet ook weinig jongeren meer
aan te trekken. Dat laatste illustreer ik U met wat gegevens van het
Sociaal en Cultureel Planbureau: 73% van de mensen geboren ná 1960 is
buitenkerkelijk1. Dat percentage is voor jongeren geboren ná 1980
waarschijnlijk nog hoger. Vaak is de school nog de enige plek waar ze
enige vorming in religie en levensbeschouwing krijgen in een georganiseerd
verband. Die vorming is sterk kennisgericht en heeft niet meer zoals
voorheen de functie om jongeren te committeren aan een bepaalde religieuze
traditie.
Wat ik hier kort heb aangeduid is de afbraak van de manier waarop
jongeren lange tijd religieus gevormd werden. Maar ook hedendaagse
jongeren worden, zowel op persoonlijk als op maatschappelijk vlak, met
religieuze vragen geconfronteerd. Om daarmee om te kunnen gaan hebben ze
vaardigheden nodig. En om die te ontwikkelen hebben ze kennis en ervaring
nodig. Maar om wat voor soort kennis en ervaring gaat het dan? Hoe moeten
ze die zich eigen maken? Van wie moeten ze die kennis en ervaring leren?
En waartoe dienen die? Over deze vragen gaan de grote debatten in de
theorievorming over religieuze vorming van jongeren binnen de praktische
theologie. Men wijst erop dat de klassieke geloofsinstructie niet meer
adequaat is. Men leerde vroeger bepaalde gebeden en geloofsformules (bv.
delen van de catechismus) uit het hoofd. Die geloofsinstructie was puur op
theologische inhoud gericht en hield weinig of geen rekening met de vragen
van jongeren zelf. Daarom pleit men nu voor het aanleren van reflexieve en
communicatieve vaardigheden, die aansluiten bij de leefwereld van
jongeren. Er wordt geprobeerd jongeren enig gevoel bij te brengen voor wat
religie is en wat geloven betekent. Dat lijkt me inderdaad een grote stap
vooruit, alhoewel de kennis er mogelijk wel erg bekaaid vanaf komt. Maar
nogmaals, het aanleren van vaardigheden die dan tenminste wat geland zijn
in de hoofden en harten van de jongeren is een stap vooruit.
Maar een andere wezenlijke vraag, namelijk waar ze die vaardigheden
moeten leren, wordt volgens mij niet voldoende gethematiseerd. Als we de
praktisch-theologische literatuur op dit punt bekijken, blijkt dat die
zich hoofdzakelijk richt op de plaatsen waar traditioneel gezien de
religieuze vorming plaats vond, namelijk gezin, school en kerkelijk
jeugdwerk (catechese etc.)2. Iedereen die met jongeren werkt, weet hoe
weinig jongeren nog weten over religie (en zeker over het christendom) en
hoe weinig ze vertrouwd zijn met religieuze praktijken. Op die
traditionele plaatsen en in die verbanden vindt kennelijk amper meer
religieuze vorming plaats. Dus waar moeten jongeren de reflexieve en
communicatieve vaardigheden opdoen waarvan in de praktisch-theologische
literatuur sprake is?
2.2. Religie in de netwerksamenleving
Om die vraag te beantwoorden moeten we eerst eens kijken naar wat er in
onze tijd met de religie zélf aan de hand is. Dan moeten we bedenken dat
religie nooit ‘puur’ te verkrijgen is. Religie drukt zich altijd uit in
bepaalde handelingen en geloofsvoorstellingen. En die zijn op hun beurt
altijd tijd- en cultuurbepaald. Ik geef U een voorbeeld. Het is vastentijd
en velen van U kennen uit hun jeugd het vastentrommeltje. In verzuild
katholiek Nederland werd thuis en op school aandacht besteed aan het
vasten. Ook werd uitgelegd wat het betekende. Zo kreeg de handeling van
snoep bewaren in een trommeltje, en alles wat erbij hoorde, zin en
betekenis, oftewel plausibiliteit. Zo was vasten als religieuze handeling
verbonden met bepaalde gedragspatronen, die plaats vonden binnen bepaalde
sociale verbanden zoals gezin en school. Dat gold, mutatis mutandis, ook
voor andere religieuze handelingen zoals kerkgang, dopen, trouwen etc. In
de verzuilde samenleving had religie een duidelijke plaats in ons sociale
handelen. Dit alles is met de ontzuiling ingrijpend veranderd.
In onze tijd is religie grotendeels losgekoppeld geraakt van de
kerkelijke instituties. De Franse godsdienstsociologe Danièle
Hervieu-Léger stelt dat in West-Europa de religie niet primair overleeft
via de bestaande kerkelijke instituties3. De religie, haar taal en
symbolen, zijn volgens haar voorgoed versplinterd en in de cultuur
uitgezaaid geraakt. Het religieuze krijgt een nieuwe vorm, duikt op nieuwe
plaatsen op in de samenleving en verbindt zich op nieuwe manieren met
sociale verbanden. Zo krijgt de religie op een nieuwe manier haar
plausibiliteit, haar zin en betekenis. Ik denk dat Hervieu-Léger daar
gelijk in heeft. Je ziet religie de laatste jaren inderdaad opnieuw
opduiken, op internet (denkt U aan de rol van internet bij radicale
moslimgroepen), in films (met prachtige voorbeelden als Seven, Dogma, The
Matrix), in kloosterretraites voor managers, openbare debatten enzovoorts.
De traditionele kerkelijke instituties hebben daar nog zeker wel een rol
in. Maar het punt waar het gaat om gaat is dit: de vier kernactiviteiten
van geloofsleven, namelijk bidden, vieren, delen en religieus leren,
vonden in de verzuilde samenleving plaats ín, of onder controle van, de
kerkelijke instituties. Dat is voorbij. Er is een nieuwe en zeer
onoverzichtelijke situatie ontstaan.
Ik zeg het nogmaals: ik ga er vanuit dat de religie zich in nieuwe
vormen manifesteert, op nieuwe plekken en in nieuwe sociale verbanden. Om
daar meer zicht op te krijgen moeten we ook dat begrip ‘sociaal verband’
even onder de loep nemen. De laatste decennia is de individualisering
sterk toegenomen en daarmee is ook de manier waarop mensen zich groeperen
in sociale verbanden ingrijpend veranderd. Dat zie je natuurlijk het
duidelijkst onder jongeren. Volgens de Spaanse socioloog Manuel Castells
ontlenen we tegenwoordig onze persoonlijke identiteit niet in eerste
instantie aan het horen bij institutionele en plaatsgebonden verbanden4.
Het vormen van je identiteit is een opdracht voor élk individu geworden,
waarvoor het vastere en lossere netwerken van contacten rond zich creëert,
grotendeels op basis van eigen voorkeuren en affiniteiten. De opkomst van
de informatie- en communicatietechnologie heeft dit mede mogelijk gemaakt
en krijgt hierin een steeds grotere rol. Daardoor groeit ook de
diversiteit van sociale verbanden.
Hoe werkt dat in de praktijk? Ik geef U weer een voorbeeld. Enkele
jaren geleden organiseerde ik theaterweekends voor jongeren, waaraan ook
jonge vluchtelingen meededen. Aan één van die weekends deed een jongen uit
Sri-Lanka mee. Hij was heel enthousiast en werkte hard mee aan de
voorstelling waarmee we het weekend zouden besluiten. Ondanks herhaalde
smeekbedes lukte het de regisseur tijdens de generale repetitie echter
niet om hem ervan te overtuigen zijn mobiele telefoon af te zetten. Wat
bleek: de jongen was helemaal alleen naar Nederland gekomen. Deze telefoon
was de enige manier waarop zijn vrienden hem konden bereiken. Zijn
mobieltje afzetten betekende voor hem: afgesneden worden van zijn vrienden
en daarmee van de rest van zijn wereld. Dit speelde zeven jaar geleden.
Inmiddels heeft het mobieltje voor veel jongeren een vergelijkbare
betekenis gekregen. ‘Ik bel, dus ik ben’ is één van hun lijfspreuken.
Daarnaast is ook MSN-en, SMS-en en het geregeld checken van de e-mail zeer
belangrijk geworden voor de meeste jongeren. Het beïnvloedt de manier
waarop ze hun sociale contacten vorm geven ingrijpend.
Wat betekent dit alles met het oog op onze vraag, ‘waar kunnen jongeren
tegenwoordig religieus gevormd worden?’ De traditionele organisatie van
die vorming is grotendeels verdwenen, zoals ik net heb aangeduid. Tegelijk
blijkt in de praktijk, en uit onderzoek, dat veel jongeren religieus
geïnteresseerd blijven, geregeld bidden et cetera. Ik ga er vanuit dat ook
onder jongeren zich voordoet wat Hervieu-Léger stelt, namelijk dat het
religieuze een nieuwe vorm krijgt, op nieuwe plaatsen opduikt in de
samenleving en zich op nieuwe manieren verbindt met de sociale verbanden
waarin ze zich bewegen. Daarbij zouden we dan voor de religieuze vorming
moeten aansluiten. En als we die vorming willen organiseren, dan moet die
vorm krijgen in zogenaamde ‘dunne instituties’ (Zijderveld5), of
‘vloeibare instituties’. (Baumann6). Dat gebeurt overigens al. Binnen het
kerkelijk jongerenpastoraat zie je de ontwikkeling van event-pastoraat. Er
worden massale happenings georganiseerd, waar ontmoeting plaatsvindt en
daarna kleine, informeel georganiseerde groepjes uit ontstaan. Met houdt
contact via internet. Er zijn ook sites waar geïnteresseerde jongeren
informatie over christelijk geloof kunnen vinden. Met name in de
evangelische bewegingen is men al heel ver in het ontwikkelen van dit
soort activiteiten. Dit wordt ook ondersteund vanuit de (katholieke) kerk
(bijvoorbeeld wereldjongerendag, dit jaar in Keulen). Het probleem is
echter dat dat aanbod, vanwege de geboden inhoud, maar een beperkt aantal
jongeren aanspreekt. Voor die andere, grote groep jongeren is er nog
weinig goed aanbod.
2.3 De betekenis van Schillebeeckx’ ‘negatieve ecclesiologie’
U zult begrijpen dat het hier om méér gaat dan de vraag waar jongeren
tegenwoordig religieus gevormd kunnen worden. De gestalte van de kerk in
haar geheel is hier in het geding. Met ‘kerk’ bedoel ik dan de manier
waarop we ons geloofsleven - ons bidden, vieren, delen en leren - vorm
geven en organiseren. We moeten op een nieuwe manier leren nadenken over
wat ‘kerk’ als georganiseerd geloofsleven is. Daarbij kunnen bestaande
benaderingen erg in de weg zitten. In zijn meest recente ecclesiologische
studie, Mensen als Verhaal van God, stelt Schillebeeckx dit probleem aan
de orde: ‘Kerk is er nooit ter wille van haarzelf (...). We hebben een
brok negatieve ecclesiologie, kerktheologie in mineur, nodig (...) om het
eeuwenlange ecclesiocentrisme van het empirisch verschijnsel ‘christelijke
godsdienst’ ongedaan te maken (...)’7. Anders gezegd: er is méér
christelijke godsdienst, méér ‘mensen als verhaal van God’, dan dat van de
traditionele kerken en hun theologieën. De bestaande theologieën hebben
daar volgens Schillebeeckx te weinig oog voor, doordat ze zich te
eenzijdig richten op de kerkelijke gestalten van christelijk geloven.
Ik ontleen veel waardevolle theologische inspiratie aan dit boek. Zeer
belangrijk is voor mij Schillebeeckx’ grondgedachte dat God, Jezus
Christus en de mensen één zijn. Er is slechts één werkelijkheid, die
bespreekbaar is vanuit diverse invalshoeken, vraagstellingen en met
verschillende taalspelen (bv. wetenschappelijke én religieuze).
Schillebeeckx zet zich af tegen een dualisme waarbij de menselijke en de
goddelijke werkelijkheid ná en naast elkaar worden geponeerd, die men
vervolgens dialectisch met elkaar moet verzoenen met allerlei trucs. Zo
worden bijvoorbeeld geloof en rede, God en mens, en kerk en wereld
tegenover elkaar gesteld. Dit is een probleem dat door de moderniteit is
gesteld c.q. op scherp is komen te staan. Schillebeeckx opende nieuwe
theologische wegen om dit probleem te doordenken. Ik kom hierop nog terug
aan het slot van mijn verhaal.
Ondanks die grondgedachte komt Schillebeeckx niet voldoende toe aan het
ontwikkelen van de negatieve ecclesiologie die hij bepleit. Schillebeeckx
werkt namelijk vanuit de vooronderstelling dat er eerst geloof, kerk en
haar overlevering zijn. Vervolgens neemt hij aan dat hij die theologisch
op een nieuwe manier kan analyseren en zo kan aantonen dat geloof, kerk en
overlevering open staan naar de situatie van hedendaagse mensen. Ik volg
hier overigens Borgman. Het probleem, stelt Borgman, is dat hij zo in
feite de continuïteit van de kerk tot de veronderstelling en het doel van
zijn theologie maakt8. Welnu, om tot nieuwe ecclesiologische theorie te
komen, zullen we ook deze veronderstelling ter discussie moeten durven
stellen. Daarmee zal ook onze blikrichting moeten veranderen.
Het moet dus niet primair gaan om een revitalisering van de bestaande
kerk. Daarmee zouden immers grote groepen mensen die naar plekken voor
religieuze verdieping zoeken buiten het gezichtsveld vallen, waaronder de
meeste jongeren. Het oogmerk van een ‘negatieve ecclesiologie’ is om weer
die groepen in het vizier te krijgen die buiten het ‘zicht’ van de
bestaande kerken en hun theologieën zijn geraakt. Het gaat er niet om hoe
buitenkerkelijken overtuigd kunnen worden om lid te worden van een ‘kerk
in een nieuw jasje’, maar om zicht te krijgen op hoe er opnieuw
georganiseerd geloofsleven ontstaat of kan ontstaan daar waar mensen, op
nieuwe manieren vieren, bidden, delen en religieus leren in onze
netwerksamenleving.
Hier moeten we dan weer scherp voor ogen houden dat we het over
jongeren hebben. De religiositeit van jongeren is een veel lastiger
onderzoeksobject dan bijvoorbeeld nieuwe religieuze bewegingen. Die
bewegingen zijn vaak een reactie op de institutionele kerken die men als
verstokt en onaantrekkelijk ervaart. De mensen die zich met die bewegingen
engageren, zijn vaak nog wel religieus opgevoed en zoeken een alternatief
voor die institutionele kerken. Deze mensen zijn vaak ook nog vertrouwd
met het idee van toebehoren tot een geloofsgemeenschap. Voor de meeste
hedendaagse, hypergeïndividualiseerde jongeren is dat niet zo.
Flexibiliteit is een gewoonte, zelfs een behoefte. Zij zoeken geen
‘alternatieve geloofsgemeenschap’, maar zoeken naar flexibele verbanden
(‘vloeibare’ of ‘dunne instituties’) waarin ze terecht kunnen met hun
verlangen naar religieuze kennis en ervaring. Hoe die er in de praktijk
uit moeten zien, moet onderwerp worden van praktisch-theologisch onderzoek
vanuit een negatief-ecclesiologisch perspectief. Verder is religie geen
sociale verplichting meer, maar iets waar men voor kan kiezen. Daarom
moeten we ook meer zicht krijgen op motieven van jongeren om zich met
religie bezig te houden (bijvoorbeeld m.b.v. Rational Choice Theory).
Dit zijn voorbeelden van praktisch-theologische kwesties die voortkomen
uit de benadering die ik voorstel. Maar een ‘negatief-ecclesiologische’
benadering roept natuurlijk ook systematisch-theologische vragen op. Als
we het hebben over ‘organisatie van geloofsleven’ dan gaat het immers niet
om een wereldse organisatie, maar om een sacrale. Een
negatief-ecclesiologisch perspectief leidt bijvoorbeeld naar de vraag hoe
we eigentijdse interpretaties kunnen ontwikkelen voor het traditionele
beeld van de kerk als ‘mystiek lichaam met vele leden’ (1Kor. 12). Die
nieuwe interpretaties moeten aansluiten bij wat er in de cultuur gaande
is. Zou bijvoorbeeld een beeld van de kerk als netwerk een adequate,
eigentijdse invulling kunnen zijn van het Paulinische idee van de kerk als
‘lichaam met vele leden’? En hoe zit het dan met het mystieke karakter van
zo’n netwerkkerk? Hoe leidt die ons toe tot God, zoals ik ‘mystiek’ dan
maar even vertaal? Theologisch gesproken gaat het hier om de vraag hoe we
de christelijke, theologische tradities kritisch kunnen correleren met
eigentijdse manieren waarop we onszelf en de wereld ervaren.
Een interessante poging tot zo’n kritische correlatie is die van de
evangelische theoloog Pete Ward. In zijn boek Liquid Church werkt hij
onder andere Castells’ sociologische theorie over de netwerksamenleving
ecclesiologisch uit tot een theorie over een flexibele, vloeibare, kerk9.
Een kernprobleem van dit boek is het volgende: geen enkele structuur kan
geheel vloeibaar zijn. Metaforisch gesproken bevindt elke vloeistof zich
in een vat, in een ruimte die de vloeistof begrenst. Wat is dan het vat
waarin de vloeibare kerk zich beweegt? Wards antwoord is dat de
'individuen en groepen waaruit de netwerken van een vloeibare kerk
bestaan, zichzelf moeten begrenzen door een orthodoxie te omarmen die is
geworteld in de geloofsbelijdenissen en traditie van de kerk.' Ik vraag me
af of op deze manier de kritische correlatie van traditie en eigentijdse
ervaring wel op de juiste manier gebeurt. De relevantie van de
geloofsbelijdenissen en traditie van de kerk kan niet voorondersteld
worden, maar moet kritisch onderzocht worden. Wards antwoord negeert een
gegeven dat cruciaal is voor de groep mensen die ik op het oog heb.
Immers, jezelf laten begrenzen door een kerkelijke orthodoxie
veronderstelt een vertrouwen in en bekendheid met de kerk en haar
traditie. En dat laatste ontbreekt nu juist bij deze jongeren. Voor hen is
de kerk niet meer de vanzelfsprekende plek om Gods nabijheid te zoeken.
Voor hen heeft de kerk, haar taal en gebruiken, grotendeels haar
plausibiliteit verloren. Zij leven in een sociaal-culturele werkelijkheid
waarin religie op een nieuwe manier plausibel wordt en sociaal vorm
krijgt. En dat is mogelijk niet zichtbaar te maken vanuit orthodoxe
opvattingen. Traditie en eigentijdse ervaring moeten dus anders met elkaar
in contact gebracht worden.
Ik sluit af. Ik heb U laten zien dat ons nadenken over religieuze
vorming van jongeren in onze netwerksamenleving, ook indringende
implicaties heeft voor ons denken over kerk-zijn. Schillebeeckx’ idee van
een ‘negatieve ecclesiologie’ is hiervoor een bruikbaar idee, mits we het
radicaler toepassen dan hij zélf doet. Dan dient het als een belangrijke
correctie op het heersende praktisch-theologische denken dat impliciet of
expliciet uit is op een revitalisering van de bestaande kerkelijke
instituties. Ik stel voor om onze blik te verbreden, om zo grondig te
analyseren hoe, net als de religie, ook ‘kerk’ als georganiseerd
geloofsleven ingrijpend van vorm verandert. Die nieuwe manier van kijken
heeft dan consequenties voor ons theologische denken over de kerk als
sacramentele gemeenschap, waarin wordt gebeden, gevierd, gedeeld en
geleerd. Wat denkt U: is het uitdelen van een digitaal kruisje aan
jongeren op internet een sacramentele handeling?
Dr. Ton Zondervan Noten
1 Becker, J. W. & de Wit, J. S. J. (2000). Secularisatie in de jaren
negentig. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, pp. 14 & 59. 2 Zie
bijvoorbeeld: Hermans, C.A.M. (2001). Grondslagen van religieuze vorming
in een globaliserende samenleving. Budel: Damon, en: Ploeger, A. K. &
Ploeger-Grotegoed, J. J. (2001). De Gemeente en haar verlangen. Van
praktische methode naar de geloofspraktijk van de gemeenteleden, Kok:
Kampen. 3 Hervieu-Léger, D. ‘The twofold limit of the
notion of secularization’, in: Peter Berger and the Study of Religion, L.
Woodhead, P. Heelas & D. Martin (eds.), New York: Routledge 2001, pp.
112-125. 4 Castells, M. (2002 (1996)). The Information
Age: Economy, Society and Culture, Vol. 1: The Rise of the Network
Society, Oxford: Blackwell. 5 Zijderveld, A. C. (2000),
The Institutional Imperative. The Interface of Institutions and Networks,
Amsterdam: Amsterdam University Press. 6 Baumann, Z.
(2000). Liquid Modernity, Cambridge: Polity Press. 7 Schilebeeckx,
E. (1989), Mensen als verhaal van God, Baarn: Nelissen. 8 Borgman,
E. ‘Van cultuurtheologie naar theologie als onderdeel van de cultuur: De
toekomst van het theologische project van Edward Schillbeecxk, Tijdschrift
voor Theologie 34 (1994), nr. 4, p. 359. 9 Ward, P. (2002). Liquid Church,
Peabody, Mass.: Hendrickson. |

Dominicaans Studiecentrum
voor Theologie en Samenleving
Erasmusgebouw k17.28, Nijmegen
Postadres:
Nieuwe Herengracht 18
1018 DP Amsterdam
Tel. 020-6235721
secretariaat@nieuwwij.nl
www.dsts.nl |