André Lascaris

EMOTIES ALS VOELHOORNS NAAR ANDEREN

 

‘U mag Uw emoties wel tonen!’, zei een medebroeder wat bits tegen een tachtigjarige huisgenoot. Deze was een kerkjurist die jarenlang had gedoceerd in Rome. Een vriendelijke man, maar afstandelijk en gauw bezorgd over de vraag of dit of dat nu wel mocht. Op een of andere manier kwam deze bitse opmerking precies op het goede moment. De oude medebroeder volgde het advies op. Hij maakte een rondje door het huis en vroeg al zijn huisgenoten wat zij van hem vonden. Hij vertelde hun hoe hij zich voelde, ontdekte dat mensen oprecht van hem hielden, en werd minder angstig. Later bleek dat hij toen in zijn laatste jaar van zijn leven was. In dat jaar groeide hij in vrijheid en vertrouwen.

            Het advies ‘je emoties te tonen’ was typerend voor die tijd: de jaren zeventig van de vorige eeuw. Mensen begonnen meer dan tevoren hun gevoelens te laten zien. In vormingscentra kon je cursussen volgen waarin je leerde met je emoties te voorschijn te komen. Ze laten zien, je er bewust van worden, ze ontwikkelen, dat waren betrekkelijke nieuwe dingen. Mensen kregen een gevoel van bevrijding. Knellende banden schoten los, gesloten deuren gingen open. Mensen ademden op. Aan het begin van de huidige eeuw is het geen nieuws meer, wanneer mensen hun emoties tonen. Men zegt zelfs dat we in een emotiecultuur leven: we vragen iedereen wat hij of zij voelde bij die of die gebeurtenis, ook als dat niet zo’n zinnige vraag is. Overigens blijkt het toch moeilijk te zijn om over je emoties te spreken, werkelijk te zeggen wat je voelt, de goede woorden ervoor te vinden, en je verlegenheid tegenover de ander te overwinnen.

 

Vrij van emoties?

Je emoties tonen, was geen advies dat bij de klassieke meesters in het geestelijk leven populair zou geweest zijn. De monniken in de woestijn hadden van zo’n advies niets begrepen. De klassieke leer van het geestelijk leven is immers sterk beïnvloed door de Griekse, heidense filosofie van de Stoa. In de Stoa werden emoties gezien als datgene wat je uit het evenwicht bracht. Het ideaal van de stoïcijnen was even onbewogen te staan in het leven als de in hun ogen onveranderlijke kosmische orde. Ook als je huis boven je hoofd instortte, moest je onbewogen blijven, emotieloos. In alle omstandigheden moest je proberen van binnen vrij te zijn. Het woord dat zij voor emotie gebruikten was ‘pathos’, passie, hartstocht. Hun ideaal was de ‘apatheia’. Dat woord betekent niet ‘apathie’, maar ‘passieloosheid’. Het woord ‘passie’ heeft te maken met ‘ondergaan’, ‘lijden’; je bent onderworpen aan passies die komen en weer gaan. Passies overkomen je en voeren je mee, misschien wel naar gebieden waar je nooit zou willen zijn. Je wordt kwaad of agressief, of geil of angstig of…, en je kunt je niet meer goed beheersen. Wie zijn eigen meester wil zijn, niet overheerst door de willekeur van de emoties, en deze vrijheid wil koesteren als een kostbaar bezit, moet volgens het ideaal van de ‘apatheia’ er voor zorgen niet geraakt te worden door emoties. Je wordt dan ook minder kwetsbaar in de ogen van je medemensen.

Als ‘innerlijke vrijheid’ was dit ideaal van ‘apatheia’ aantrekkelijk voor christenen, en vond het vooral onder monniken een gul onthaal. Zij vormden het begrip wel om. Het gaat niet om zelfbeheersing, maar om daaraan voorbij te zijn. De innerlijke vrijheid is uiteindelijk een gave van God en staat aan het begin van de reis van de ziel. Zij maakt het mogelijk God lief te hebben en de liefde brengt mensen op haar beurt tot kennis van God en geeft hun het juiste perspectief op onze vergankelijke wereld. Daarbij is het best mogelijk om bijvoorbeeld als kloosteroverste flink uit de slof te schieten, als dit maar de deugdzaamheid bevordert. Symeon de Nieuwe Theoloog (949-1022) beschrijft heel levendig wat deze vrijheid van emoties voor hem inhoudt: wanneer hij door Constantinopel rijdt, goud en zilver ziet, prachtige voorwerpen en mooie vrouwen, doet dat alles hem niets. Hij wordt er niet door geraakt. Hij doorziet hoe betrekkelijk ze zijn en beseft dat ze alleen kunnen bestaan dankzij God. Zelfs zijn verlangen naar zulke emoties is verdwenen. De eerste theoloog van het westerse monnikendom, Cassianus (360-435) deelde een tijdlang het leven met de monniken in de Egyptische woestijn en liet zich door hen inspireren. Zijn ‘Conferenties’ worden door de regel van Benedictus warm aanbevolen. Voor hem geldt dat die mens innerlijk vrij is die zelfs door de herinnering aan emotionele opwellingen van vroeger niet meer gehinderd wordt. In de kloosterlijke traditie komt deze innerlijke vrijheid echter niet helemaal los van een negatieve houding ten opzichte van emoties, het lichaam, de wereld. Emoties waren verdacht, het lichaam gevaarlijk, de maatschappij bedreigend. Dit heeft een zware hypotheek gelegd op de traditie van het geestelijk leven. De traditie inzake de emoties is echter niet zo eenvormig dat we er alleen maar wantrouwen tegenover emoties vinden. Er zijn spirituele tradities, bijvoorbeeld die van Thomas Aquino (1225-1274), die een positievere houding tegen emoties hebben. Omdat mensen lichamelijk zijn, voegen emoties volgens hem iets toe aan de heelheid van het menselijk gedrag.

 

Historische wending

De rol van de emoties begint te veranderen aan het begin van de zeventiende eeuw. Het woord ‘emotie’ is betrekkelijk nieuw. Het betekende oorspronkelijk ‘opstootje’ of ‘ordeloosheid’. Het geeft dus zoals het woord ‘passie’ aan dat iets je overkomt en inbreuk maakt op je gewone leven. De Franse wijsgeer René Descartes (1596-1650) was de eerste die het woord ‘emotie’ gebruikte, aanvankelijk nog ter aanvulling van het oudere woord ‘passie’ of hartstocht. Dat Descartes behoefte heeft aan een nieuw woord, wijst al op een verandering in waardering. Bij hem heeft ‘emotie’ overwegend een positieve betekenis. ‘Emotie’ drukt een grotere activiteit uit aan de kant van degene die haar heeft dan ‘passie’ en suggereert een openbaar worden en naar buiten treden van een innerlijk gebeuren. Een emotie is een manier van tegen iets aankijken: je bent bang van een afgrond, verdrietig over de dood van een familielid, blij met de overwinning van je voetbalclub. Bij Descartes zetelt de emotie in de ziel en is ze altijd waar en betrouwbaar. Ze verschaft je informatie die je helpt te overleven.  Dat emoties in de ziel zetelen, denken mensen van nu niet meer, al is het alleen al omdat ze niet in een ziel geloven als iets naast en in het lichaam. De gedachte dat emoties zetelen in het diepste innerlijk van de mens en betrouwbare hulpmiddelen zijn om in het leven de weg te vinden, leeft nog sterk.

 

Emoties als antennes

Inmiddels beseffen we dat emoties allereerst in het lichaam zetelen. Ons lichaam reageert en doet dat vaak sneller dan ons bewustzijn. Het bewustzijn heeft iets van een geheugen: nadat iets gebeurd is, worden we ons ervan bewust. Zo gauw we over onze emoties gaan vertellen, krijgen ze iets zelfstandigs en komen dan meer los te staan van de lichamelijke reactie.

Ons lichaam reageert op bepaalde situaties en dan komen de emoties op: ik ben bang wanneer het pikkedonker is, ik voel me benauwd in een overvolle straat, ik ben blij omdat mijn kind geslaagd is voor zijn examen. Ervaringen uit het verleden kunnen mede bepalen welke emotie zich aandient. Emoties staan in relatie met wat zich ‘buiten’ ons bevindt. Ze liggen niet opgeslagen in ons binnenste zoals Descartes dacht; mensen staan voortdurend in betrekking tot andere mensen en met de natuur en dingen. Emoties zijn onze voelhoorns, ze tasten als antennes de ruimte af waarin we ons bevinden. In die ruimte zijn andere mensen het belangrijkste. We kunnen bepaalde emoties hebben ten opzichte van de natuur, maar de meeste ‘natuur’ is onderdeel geworden van onze cultuur: wij bepalen wat er met dit stukje natuur gebeurt: blijft de Waddenzee een open gebied of gaan we er gas uit oppompen of maken we er droog land van? Van de dingen, de voorwerpen, geldt hetzelfde. Zij danken hun betekenis aan de manier waarop mensen ze gebruiken en hanteren. Emoties stemmen vooral mensen op elkaar af. Dit afstemmen wil niet zeggen dat er harmonie ontstaat. Er kan een flinke ruzie beginnen. Ook in een ruzie tasten we elkaar af, voelen we elkaar aan en raken we op elkaar gericht. De emotie zoekt waar de ander staat, hoe deze aanvoelt, wie deze persoon is. Dit gebeuren verheldert de eigen positie. Tegelijk proberen we woorden te vinden voor onze lichamelijke geraaktheid. Pas door een naam te geven aan ons gevoel kunnen we onze emotie naar waarde schatten en beoordelen. Voor het benoemen van onze emoties zijn we afhankelijk van onze taal en cultuur.

.           Emoties geven dus belangrijke informatie. Deze betreft vooral de manier waarop wij ons tot anderen verhouden. De informatie moeten we wel controleren. In de emoties liggen oordelen opgesloten over onszelf, over anderen en over het netwerk van de wereld. Deze oordelen kunnen al of niet terecht zijn. Schuldgevoelens bijvoorbeeld verwijzen naar schuld, maar soms blijkt er bij een nadere bezinning geen schuld te zijn. Ik voel me bijvoorbeeld altijd doodsbang wanneer mijn baas binnenkomt, maar is dit wel terecht? Misschien moet ik die baas van mij gewoon een keer vragen waarom hij altijd met zo’n nijdig gezicht binnenkomt. Misschien weet hij niet eens dat hij dat doet. Geven we de juiste naam aan onze emotie? Is zij jaloersheid: de een eist iets op wat de ander als het zijne beschouwt, of afgunst: de een wil bezitten wat de ander al heeft en hij zelf nog niet? Iemand schaamt zich, maar is deze schaamte terecht? Vaak hebben mensen schuldgevoelens, maar dit betekent niet dat zij schuld hebben. Het schuldgevoel kan ten onrechte zijn. Wel roept dit de vraag op waarom dit gevoel er is en of het niet op een andere manier benoemd moet worden. Hoe mensen een emotie waarderen en evalueren, hangt af van de culturele context waarin zij leven: was de woede terecht en is woede al of niet soms een goede zaak. Religieuze en wereldbeschouwelijke vooronderstellingen bepalen mede welke vragen we stellen en welke antwoorden we krijgen en als positief beoordelen.

 

Emoties en gemeenschap

Door deze visie op de emoties als onze voelhoorns, kunnen we beter de culturele omslag van onderdrukking van emoties naar vrijmaking en verdere ontwikkeling ervan begrijpen die plaats heeft gehad. Vóór de jaren zestig van de vorige eeuw leefden de meeste mensen nog steeds in een tamelijk fijnmazig netwerk van geschreven en ongeschreven geboden en verboden. Dit net was in eeuwen ervoor al steeds wat zwakker geworden, maar het bestond nog. De rolverdeling tussen mannen en vrouwen lag tamelijk vast. Iedereen wist wat hij kon verwachten, wanneer hij iemand aansprak. De oude beroepskleding was grotendeels verdwenen, maar de meeste mensen ‘wisten hun plaats’ en gedroegen zich ernaar. Men ging tamelijk zakelijk met elkaar om. De emoties bleven vaak ondergronds. Ik herinner me bijvoorbeeld dat mijn moeder en haar vriendinnen elkaar doorgaans met ‘u’ aanspraken. De familie had grote invloed op het individu. Zij bepaalde in vele gevallen wie met wie trouwde, waar er getrouwd werd en wanneer. Bijna iedereen maakte deel uit van een tamelijk hechte gemeenschap van katholieken, protestanten, liberalen of socialisten.

            Aan het begin van deze eeuw leven mensen in een heel verschillende situatie. Ze vormen geen krachtige gemeenschap meer. Ze maken geen deel uit van een duidelijke kring, van een ‘hand in hand, kameraden’. Ze staan als ’t ware naast elkaar als op een perron en, wanneer de trein of bus arriveert, verdringen ze elkaar om als eerste binnen te zijn. Het is verre van duidelijk welke reactie je van anderen kunt verwachten. Het vraagt altijd durf iemand aan te spreken, laat staan iemand tot de orde (en dan welke?) te roepen. In een emotiecultuur als de onze kunnen en moeten mensen zich op elkaar af afstemmen zonder de druk van door de traditie afgedwongen sociale codes en ontmoeten ze elkaar als unieke individuen. Deze afstemming gebeurt aan de hand van onze emoties.

 

Emoties op de levensreis

In plaats van te proberen vrij te zijn van emoties, hebben we ze hard nodig en moeten we gebruik van ze maken. We maken geen deel  uit van een fijnmazig netwerk van sociale en ethische codes. Als we geen rekening houden met onze emoties, hebben we niet het minste idee waar we heengaan en wat de volgende stap moet zijn op onze levensreis naar God, de ander, onszelf. De emoties verwijzen ons naar de anderen en via hen ook naar God. God en de anderen zijn niet zozeer buiten ons, maar wij zijn wie we zijn, omdat we voortdurend deelhebben aan het leven van God en de anderen. Dat hoort bij het menszijn, al ervaren we minder sterk dan vorige generaties dat we deel uitmaken van een gemeenschappelijk netwerk met een duidelijke cultureel bepaalde identiteit. De emoties moeten we wel kritisch evalueren zoals elke informatie die we ontvangen. We moeten ze echter niet onderdrukken. Integendeel, het is van belang ze naar boven te laten komen en dan te zien hoe waarachtig ze zijn, en hoe en of we  uitdrukking aan hen geven. Ik laat mijn afkeer naar boven komen of mijn gevoelens van wraak of lust of liefde en evalueer deze emoties. Dit gebeuren helpt me mijn positie te bepalen, zo nodig een andere houding aan te nemen, communicatie tot stand te brengen en opnieuw gemeenschap te stichten.

Het leven wordt niet rijker en voller door te proberen vrij te worden van emoties, wel door vrij met emoties om te gaan. De hoogste vorm van vrijheid is de vrijheid verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Bij de ontmoeting met de ander is deze steeds een grens, een criterium. Ik moet leren hoe ik de ander de ander laat zijn. In hoeverre mag ik inbreuk maken op zijn leven en om hulp vragen? Hoe dichtbij mag ik komen? Hoe houd ik voldoende afstand zodat zowel de ander als ikzelf adem kunnen krijgen? Hoe zorg ik dat ik niet te veel afstand schep zodat er geen ruimte is voor betrokkenheid en empathie? Hoe handhaaf ik het onderscheid tussen een zakelijk of functioneel contact en een meer intiem gebeuren? Heb ik voldoende eerbied voor het anders zijn van de ander? Gebruik ik hem of haar niet als een object of als instrument voor mijn eigen belang, lust, genoegen? Om dit alles te ontdekken heb ik mijn emoties nodig en moet ik ze tegelijk evalueren. Ik haat die man of vrouw dus, dat voel ik, maar is die haat terecht, en zo ja, kan ik haar overwinnen? In elk geval niet door te doen alsof ik geen haat koester.

 

Geestelijk leven

Waarschijnlijk heb ik soms of vaak een ander nodig die mij helpt mijn koers te vinden in mijn emoties en me te helpen met ze om te gaan. Over het algemeen zal ik proberen niet recht tegen mijn emoties in te gaan – dat mislukt zeker -, maar ik probeer ze zo in het zeil van mijn levensboot te laten blazen dat ze mij vooruit stuwen en mij helpen mijn levensbestemming te bereiken, al zal ik misschien heel wat keren overstag moeten gaan. Geestelijke leiding heeft in deze nu een andere opdracht dan vroeger. Emoties moeten niet naar de zijkant van de levensweg gedrukt worden ten gunste van de vastliggende structuur van de weg, maar moeten gebruikt worden om de weg te vinden. Dat gebruik moet  kritisch zijn, want men kan emoties misbruiken om mensen te manipuleren.

            Wie de klassieke traktaten leest over het geestelijk leven, kan het niet ontgaan dat de andere mens, die aan jou een vraag kan stellen, grotendeels afwezig is. Ze zeggen weinig over het samenleven van kloosterlingen of van leden van een gezin en hun wederzijdse verplichtingen. In het oosten hadden vele kloosters een charter waarin de stichter – vaak een rijke leek – had bepaald welke activiteiten het klooster moest ontwikkelen: ziekenzorg of het onderhouden van een kerkhof of een school runnen. Maar de geestelijk traktaten suggereren dat de monniken zich alleen aan het gebed wijdden. Wie welk werk deed, het huis schoon hield en kookte blijft onduidelijk. Dat je God moet beminnen, was duidelijk. Want volgens een algemeen aanvaardde mening, gebaseerd op de Griekse filosofie, kwam de mens voort uit God en moest hij naar die Ene God weer terugkeren. Maar de ander? Er was een gebod je naaste lief te hebben. Dat leek een gebod naast andere. De tendens was je juist te ontrekken aan het sociale verkeer met de anderen en jezelf te richten op je terugreis naar God. Mensen had je bijna altijd om je heen, vaak zelfs wanneer je je ontlastte - in Rome vind je nog de antieke gemeenschappelijke toiletten die tegelijk ontmoetingsruimten waren. Tot ver na de Middeleeuwen, was je zelden alleen. Die anderen maakten deel uit van het maatschappelijke netwerk en werden pas in tweede instantie als mensen met een eigen gezicht en individualiteit onderkend. De monnik was welbewust alleen (‘monachos’).

Symbolisch hiervoor is de traditie van het eten in stilte zoals dat in kloosters gebruikelijk was. Een medebroeder/zuster zat op een katheder en las voor. Dat waren in mijn eerste kloosterjaren niet altijd meer ‘stichtelijke’ boeken. Er waren bijvoorbeeld biografieën bij zoals over prins Bernhard of over de nadagen van paus Pius XII. Dit voorlezen in de refter gebeurt in vele kloosters niet meer. In plaats van dat allen gericht zijn op de tekst die één persoon uitspreekt, zijn de tafelgenoten met elkaar in gesprek. Dit gaat meestal niet over verheven onderwerpen, maar over wat er in de wereld en met henzelf gebeurt. Er werd vroeger veel gezwegen en weinig gesproken. Nu is dit ten dele omgekeerd. Er is meer behoefte aan gesprek, toelichting, uitleg. Er is meer communicatie nodig, omdat de vanzelfsprekendheid van een duidelijk omgrensde gemeenschap ontbreekt. Ik weet niet of ik het met hem of haar wel eens ben tenzij we erover hebben gesproken, eventueel zonder woorden. God wordt niet alleen in de stilte gevonden, maar ook in het gesprek. ‘Stilte is de allerheiligste wet van de prediking’ staat er in de constituties van de orde van de Dominicanen, maar daarnaast is het met elkaar spreken, je samen buigen over een tekst van de Schrift en het uitwisselen van hoe iedereen zich voelt, van eminent belang. Toen de oude gemeenschappen nog bestonden, was het niet nodig veel met elkaar uit te wisselen en gaf de stilte de mogelijkheid om alleen te zijn in die gemeenschap. Zo kreeg je de kans jezelf te ontdekken en jezelf worden. Nu zijn we vaak alleen. We stellen dit op prijs en willen niet terug naar een gemeenschap die voor ons de dienst uitmaakt. We hebben echter meer behoefte aan gesprek.

Nieuwe gemeenschappelijkheid

Nu de oude structuren aan het verdwijnen zijn, helpen de emoties ons elkaar te ontmoeten en kan er een nieuwe gemeenschappelijkheid groeien. Niet zo gefixeerd en schijnbaar stabiel als de vroegere. Ze zal in zekere zin zwak zijn, kwetsbaar flexibel, voorbijgaand, veranderlijk, uitdagend, risicovol, open naar nieuwkomers. Een gemeenschappelijkheid die telkens weer opnieuw gesticht moet worden. Gesprek, dialoog, elkaar aanvoelen, de stilte appreciëren tussen de woorden, oog hebben voor lichaamstaal zijn alle vereisten om hier en nu gemeenschap te zijn. Soms zal de gemeenschappelijkheid even voorbijgaand zijn als een parfum die vervluchtigt, maar dan toch in je geheugen blijft. Soms kan zij een leven lang duren, hoe kwetsbaar ook. Meer dan ooit zal er gecommuniceerd moeten worden om met telkens veranderende omstandigheden en nieuwe ervaringen om te kunnen gaan. We weten nog nauwelijks hoe een en ander zich in de toekomst in onze samenleving zal ontwikkelen. Zal de emotie van de barmhartigheid het winnen van het wantrouwen? Zal zo’n overwinning betekenen dat onze zieken en armen meer respect en betrokkenheid zullen ervaren en een plaats krijgen in het centrum van de publieke ruimte? Barmhartigheid als een allen verbindende emotie – dat zou een feest zijn.

 

Literatuur

 

E. van Dam, Schuldgevoel, schaamte en morele opvoeding. Een theoretisch-pedagogische analyse en rechtvaardiging, Amsterdam 1999.

P. Dumouchel, Émotions. Essai sur le corps et le social, Paris 1995.

Handbook of Emotions, red. Michael Lewis / Jeanette M. Haviland-Jones, London 2000.

Martha C. Nussbaum, Upheavals of Thought. The Intelligence of Emotions, Cambridge 2001.

André Lascaris (Amsterdam 1939) is dominicaan en lid van de staf van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving te Nijmegen




Dominicaans Studiecentrum
voor Theologie en Samenleving
Erasmusgebouw k17.28, Nijmegen
Postadres:
Nieuwe Herengracht 18
1018 DP Amsterdam
Tel. 020-6235721
secretariaat@nieuwwij.nl
www.dsts.nl

© DSTS 2005