DSTS | Actueel
146
archive,category,category-actueel,category-146,ajax_fade,page_not_loaded,,select-theme-ver-3.2.1,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12,vc_responsive

Actueel

Studiedag Grens en Geest

Spiritueel erfgoed 2019

Datum: Vrijdag 12 april 2019
Tijd:
13:30-17:30 uur
Plaats:
Kapel Berchmanianum (Radboud Universiteit Nijmegen)
Adres:
Houtlaan 4, 6525 XZ Nijmegen
Kosten:
€ 10 (te betalen bij de ingang kapel)
Aanmelden:
Uiterlijk maandag 8 april

Onze tijd wordt getekend door anti-globalisering en nieuw nationalisme, zowel binnen de Europese unie en wereldwijd. De notie van ‘grens’ is weer belangrijk geworden door de Brexit, door handelsoorlog, vluchtelingencrisis, migratie en integratie; de grens tussen binnen en buiten, wij en zij, eigen en vreemd. Christenen geloven dat de Geest zich niet laat begrenzen. De Geest waait waar zij wil. De Geest is grensoverschrijdend. Wat hebben dergelijke concepten betekend voor christelijk denken over grenzen, en wat kunnen ze betekenen in de huidige situatie? Als instituten staande in de traditie van religieuzen willen wij deze dag reflecteren op wat het spiritueel erfgoed kan betekenen voor grens en grensoverschrijding in de 21e eeuw.

Meld u aan vóór 8 april
Geïnteresseerd in het spiritueel erfgoed? Geboeid door het christelijk denken over grenzen en wat dit betekent in de huidige wereld waarin wij leven? Meld u zich dan nu aan!
Wij zien u graag op vrijdag 12 april in de kapel van het Berchmanianum.

Programma

13.30-13.35
Opening door prof. dr. Sophie van Bijsterveld, dagvoorzitter

13.35-14.05
De grens van het grenzeloze. Oneigentijds statement over spiritualiteit
Dr. Marc de Kesel, Titus Brandsma Instituut (TBI)

14.05-14.35
Ik ga op reis en ik neem mee: Syrisch-orthodoxe christenen in Nederland en hun draagbaar erfgoed
Prof. dr. Heleen Murre-van den Berg, Instituut voor Oosters Christendom (IVOC)

14.35-15.05
“Maak de wereld klein, dan wordt hij oneindig groot”. De bevrijdende begrenzing van een liturgische regel vandaag
Prof. dr. Thomas Quartier, Benedictijns Centrum voor Liturgische Studies (BCL)

15.05-15.30 Pauze

15.30-16.00
De geest van missie: grensoverschrijdend kerkzijn
Prof. dr. Frans Wijsen, Nijmeegs Instituut voor Missiewetenschappen (NIM)

16.00-16.30
De Geest in een geel hesje: Dominicaanse inspiratie voor deze tijd
Dr. Ellen Van Stichel & drs. Jan Jorrit Hasselaar, Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving (DSTS)

16.30-17.00 Slotdiscussie o.l.v. prof. dr. Sophie van Bijsterveld
Kennisalliantie Religieuze cultuur



Tips voor gelukszoekers

Op 20 februari gaf stafmedewerker Ellen Van Stichel een lezing in het kader van de lezingenreeks ‘Ik voel dus ik ben’, georganiseerd in Den Driehoek in Utrecht. Eerste thema was ‘Vreugde en geluk’. Samen met Anton ten Klooster reflecteerde ze over wat geluk nu eigenlijk is. Een samenvatting van de lezing verscheen op 20 februari als opiniestuk in het Nederlands Dagblad. 

50 procent voor de aanleg van geluk zou genetisch bepaald zijn; 10 procent door persoonlijke omstandigheden en uiterlijke factoren. Blijft er nog 40 procent over om via eigen inspanning gelukkig te worden. Vandaar de logische vraag: wat moeten we doen om gelukkig te worden?

Tips en goed advies ten overvloede in onze samenleving die bulkt van geluksliteratuur. Toch verschijnt niet in het beantwoorden, maar in het ontmaskeren van die vraag voor mij iets van wat geluk dan is.

Ook Augustinus schreef al dat ‘de wens om gelukkig te zijn fundamenteel is voor de mens. Het is de drijfveer achter al onze daden’. Nieuw is echter, aldus de Franse filosoof Frederic Lenoir, haar huidige individualistische invulling.

Voor filosofen als Aristoteles bestond er geen solitair geluk, maar was dit verbonden met het zoeken naar algemeen welzijn via politiek. En tot de jaren zestig ging de zoektocht naar persoonlijk geluk hand in hand met de inzet om de samenleving te veranderen.

Sinds de massaconsumptie en seksuele revolutie ligt de focus op individueel geluk. En denk dan vooral aan de materiële invulling van geluk, waarmee men zich liefst nog kan onderscheiden van anderen, wat wéér gelukkiger maakt. Een gelukkig leven is een gelukt leven, wat gemeten wordt in succes en shares.

Dit leidt volgens mij op samenlevingsniveau tot een voorwaardelijk medeleven: als het niet je eigen schuld is, dan willen we je helpen. Zo niet, dan sta je er alleen voor. De intolerantie voor ‘wie het niet onder controle heeft’ neemt toe. Dat geldt voor migranten, mensen in armoede en zelfs zieken, want hoelang moeten ‘wij’ nog betalen voor rookverslaafde longkankerpatiënten?

Geluk als project dus, zoals het woord ‘gelukzoekers’ aangeeft. Vandaag houdt het ons zelfs obsessief bezig. Bovendien zoeken we geen gewoon geluk, maar ‘fantastisch’ geluk, zoals Vlaanderens meest bekende psychiater Dirk de Wachter stelt, ‘alsof ons leven een pretpark is waar je de hele tijd in de achtbaan zit’. Maar ook in een pretpark zit je niet steeds in een achtbaan; vaak moet je er lang wachten voor je even kan proeven van dat genotsmoment. Dat is inderdaad ook De Wachters kritiek op onze ongebreidelde zoektocht. Het kan niet altijd ‘leuk’ zijn. ‘Leven is ook lastig, moeilijk, weerbarstig en pijnlijk.’

Als we wat vaker deze lastigheden en moeilijkheden met elkaar zouden delen, zou het ons, paradoxaal genoeg, kunnen helpen wat gelukkiger te zijn. Want als we onze pijn en kwetsbaarheid delen, ontstaat er verbinding, liefde, verbondenheid. Bovendien heeft geluk ook iets te maken met toeval. Ook van dit element waren filosofen zich in de Oudheid al bewust, zoals blijkt uit het Franse woord ‘bonheur’, afgeleid van Latijnse bonum augurium, wat ‘gunstig voorteken of gelukkig lot’ betekent. Geluk is nooit helemaal maakbaar en plooibaar naar onze wensen.

Ten slotte ligt zeker vandaag de nadruk op geluk als een instant gevoel, een liefst heftige emotie. Veel filosofen beschrijven geluk niet zozeer als een emotie, maar als een duurzame toestand, gespreid over de tijd. Volgens Aristoteles kan men bijvoorbeeld pas aan het eind van het leven terugblikkend zeggen of het een gelukkig leven was. Misschien ligt de waarheid in het midden, is het idee van duurzaam geluk wel een goed tegenwicht voor vandaag, om wat over langere periodes te voelen dat we min of meer gelukkig zijn.

Maar paradoxaal genoeg willen we dit geluk in het hier en nu al proeven. Dus misschien is het dan de kunst om door de moeilijkheden en de zwaarte van het leven heen, toch die glimp te blijven zien. Maar is het dan nog geluk, of kunnen we beter spreken over vreugde, zoals de schrijver Henri Nouwen stelde? Vreugde, die verbonden is met het zich onvoorwaardelijk bemind weten door God en beseffen dat ‘niets – geen ziekte, geen mislukking, geen geestelijk lijden, geen onderdrukking, geen oorlog en zelfs de dood niet – je die liefde kan ontnemen.’

Maar ook hier de paradox: ‘Vreugde overkomt ons niet zo maar. Vreugde moeten we kiezen, iedere dag weer, steeds opnieuw.’ Zit er dan toch een kern van waarheid in de geluksliteratuur? Want misschien zijn dankbaarheidsboekjes nog niet zo’n slecht idee en kan het helpen om letterlijk of figuurlijk stil te staan bij redenen tot dankbaarheid, om die vreugde bewuster te laten meetrillen in je leven.

Ellen Van Stichel

Economie en theologie ontmoeten elkaar: een popcorn-sessie

Op Netflix – en overigens ook op Youtube – is een documentaire te vinden over het onderzoek van gedragseconoom Dan Ariely (https://www.youtube.com/watch?v=8yJmP1Yzb5c). Deze film was op 14 januari uitgangspunt van een ronde-tafelbijeenkomst, georganiseerd door DSTS-medewerkers Jan Jorrit Hasselaar en Ellen Van Stichel. Een sessie rond een film dus; vandaar dat er popcorn op tafel stond, en het geheel de naam ‘popcorn-sessie’ kreeg. De bijeenkomst was een gezamenlijke bijeenkomst van het DSTS, de Amsterdam Centre for Religion and Sustainable Development (Faculteit Religie and Theologie, VU), de School of Business and Economics (VU) and de Protestantse Diaconie van Amsterdam.

In 2001 ging het Amerikaanse energiebedrijf Enron failliet, waarbij bleek dat bleek dat er op grote schaal sprake was geweest van fraude en belastingontduiking. Door deze geschiedenis werd Ariely’s interesse gewekt in oneerlijkheid als onderdeel van de menselijke aard. Dit resulteerde in zijn boek The (honest) truth about dishonesty (2012).

JJ

In het laatste hoofdstuk van dit book werpt Ariely de vraag op naar bestrijding van oneerlijkheid. Hij oppert hierbij dat er al veel mechanismen bestaan die hierop gericht zijn, met name in verschillende religieuze tradities. Ariely stelt dat religieuze tradities instrumenten kunnen verschaffen die de samenleving in het algemeen, dus niet alleen gelovige mensen, kunnen helpen om oneerlijkheid tegen te gaan. De popcorn-sessie van 14 januari was gericht op het verkennen van deze suggestie van Ariely.

Religieuze gebruiken in seculiere vertaling?
De inleiders die spraken vanuit religieuze tradities – respectievelijk Erik Borgman o.p. (Lekendominicaan en hoogleraar Publieke Theologie aan de Universiteit van Tilburg), rabbijn Awraham Soetendorp en Jan Jorrit Hasselaar (DSTS-stafmedewerker, theoloog én econoom) – hadden ieder echter zo hun twijfels over het vertalen van religieuze rituelen en gebruiken naar een seculiere context.

De biecht
Erik Borgman belichtte de biecht, waarbij hij stelde dat – in tegenstelling tot de gebruikelijke opvatting – het sacrament van de biecht niet gericht is op het herstellen van de moraal. De biecht gaat allereerst over barmhartigheid voor zondige mensen, niet over het confronteren van mensen met hun zonden.

Biecht

Daarbij relativeert de biecht de dominante orde, waaronder ook de dominante ethiek en de dominante ethische code. Maar dit wordt voorafgegaan door onvoorwaardelijke liefde en barmhartigheid (zie de verhalen van Zacheüs en de Verloren Zoon). De orde der goedheid is niet alleen beschadigd en gebroken, maar is ook bezig hersteld te worden. Dit alles betekent echter, aldus Borgman, dat de biecht niet zomaar naar seculiere termen vertaald kan worden.

De Sabbat
Rabbijn Awraham Soetendorp presenteerde de Sabbat als de heiliging van de tijd. Hij stelt dat – in zijn opvatting – het gebod “gij zult niet begeren…” zelfs belangrijker is dan het sabbatsgebod. de menselijke waardigheid en mogelijkheid om tot inkeer te komen betekenen dat er altijd van redding bestaat. sabbat, biecht dergelijke zijn oefeningen in leren compassie. ieder mens staat compassie leren, maar dit moet getraind worden. gebeurt ook op die momenten waar religieus seculier bij elkaar komen. rabbijn soetendorp noemde een bijeenkomst voor jemen, waarin hem gevraagd was gebed uit spreken aan einde. hij probeerde daarin god naam geven als ‘de bron zijn’ stelde toen moment stilte voor. vervolgens kwamen mensen spontaan naar toe omhelsden elkaar, zonder gepland was. kon gebeuren omdat omstandigheden gecreëerd waren.

Zalving
DSTS-stafmedewerker Jan Jorrit Hasselaar, zelf econoom én theoloog, onderzocht het ritueel van zalving. Hij betoogde dat dit ritueel, gezien als een teken van God en een weg naar God, individuele mensen en de samenleving in het algemeen zou kunnen helpen om oneerlijkheid tegen te gaan. Ariely beschouwt oneerlijkheid als het zelfzuchtig profiteren ten koste van anderen. Zalving daarentegen bevordert eerlijkheid in die zin dat het een houding stimuleert die de belangen van onszelf en van anderen dient. Als het gaat om het bestrijden van oneerlijkheid richt het ons in het bijzonder op het opbouwen van relaties tussen de betrokkenen bij het ritueel. In de opvatting van Hasselaar kunnen religieuze mechanismen echter niet zomaar ingezet worden voor een seculier doel zonder dat ze ingebed worden in een groter verhaal van vertrouwen, hoop en liefde. De echte vraag is hoe we zalving opnieuw kunnen uitvinden op zo’n manier dat ze haar kracht houdt en tegelijk een openbare en inclusieve functie krijgt.

Niet zonder problemen
Het inzetten van religieuze gebruiken ter bestrijding van oneerlijkheid in een seculiere wereld is dus niet zonder problemen. In de discussie die volgde op de inleidingen, betoogde Erik Borgman dat de enige manier om uit die patstelling te komen bestaat uit vertrouwen op iets dat groter is dan onze eigen constructies. Religieuze rituelen en mechanismen zijn religieus, juist vanwege de notie van iets dat groter is dan wijzelf. Als dit besef ontbreekt, kunnen we nooit voorbij onze eigen constructies komen. Anatol Itten van het Disrupted Societies Institute (DISI) wees erop dat de hier verkende praktijken sterk ingaan tegen de gebruikelijke praktijk in – bijvoorbeeld – de politiek, waar het veel meer gaat om versterken van de eigen positie. Zodoende zag Itten het niet werken in gepolariseerde situaties zoals we die maar al te goed in de samenleving kennen. Liz Marsh, student Religie en Theologie, betoogde dat het in situaties met veel conflict – zij noemde de ‘Brexit’ als voorbeeld – moeilijk kan worden om de grens te vinden tussen eerlijkheid en oneerlijkheid. Dergelijke situaties zijn veel complexer dan die in de experimenten van Ariely; in het echte leven zijn de grenzen daarom vaak veel vager.

Ariely

Oneerlijkheid, concurrentie en extern perspectief
Tot zover de theologische insteek; het woord was nu aan de economie. Als inleiding presenteerde econoom Paul Koster een model voor de ‘markt van oneerlijkheid’. Hij betoogde dat winstmodellen uitstekend uitgebreid kunnen worden om (on)eerlijk gedrag van bedrijven te beschrijven.

Impliciet wordt vaak aangenomen dat oneerlijke bedrijven op den duur zullen verdwijnen als zij niet gewaardeerd worden door hun klanten. Echter: als eerlijkheid geen winst oplevert en er geen vraag naar eerlijkheid is op de markt, worden oneerlijke bedrijven gezien als sterker dan hun eerlijke concurrenten. Maar waar blijven dan de normatieve implicaties van dit gedrag van bedrijven?

Ton Senf, adviseur en vroegere voorzitter van de scholenkoepel Amarantis, gaf tenslotte een perspectief vanuit een grote organisatie. Als voorzitter van Amarantis werd hij deel van een groot systeem dat de kwaliteit van scholen afmat aan een extern perspectief. Hierbij raakte het bestuur van de scholenkoepel, dat zitting had in een kantoor aan de Amsterdamse Zuidas, losgezongen van de praktijk in de scholen zelf. Dit leidde tot oneerlijk gedrag om de doelen te halen die van buitenaf gesteld werden. In zijn huidige baan bij de organisatie van Christelijke scholen Verus, probeert Senf een andere manier te ontwikkelen om scholen te organiseren: hierin ligt het uitgangspunt binnenin de scholen en wordt gestreefd om de motivatie van de docenten als basis te nemen.

Het belang van relaties
Oneerlijkheid lijkt dus op de loer te liggen – in het dagelijks leven én in de samenleving – waar relatie ontbreekt. De biecht, de Sabbat en het zalvingsritueel zijn juist gericht op het scheppen dan wel het herstellen van relaties. Ligt daar een aanknopingspunt met de seculiere context van onze wereld? In ieder geval wijst het erop dat het ‘goede leven voor allen’ – het overkoepelende thema van het huidige DSTS-onderzoek – gebouwd moet zijn op relaties. In een volgende studiebijeenkomst, een interdisciplinaire expertmeeting in februari, zal dit aspect van relationaliteit verder verkend worden.

Boekbabbel: Ruimte voor het onverwachte

“Ruimte voor het onverwachte is zo’n titel die deuren kan openen in het hoofd van mensen.”
prof. dr. Dirk De Wachter, voorwoord van Ruimte voor het onverwachte

Enkele jaren geleden publiceerde onze medewerker samen met Katrien Ruytjens een boek over ‘Ruimte voor het onverwachte.’ Het thema blijft brandend actueel, en lijkt ook niemand onberoerd te laten. Tijd dus om het nog even onder de aandacht te brengen.

Een deurtje openen in je hoofd, dat is wat we willen doen tijdens onze Boekbabbel: stilstaan bij hoe je omgaat met het onverwachte en dat laten nazinderen. Auteurs Katrien Ruytjens en Ellen van Stichel nemen je mee in hun bijzondere kijk op datgene wat ons overkomt.
We hopen je te mogen verwelkomen!

Waar en wanneer?
Donderdagavond 31 januari 2019 om 19.00
uur (onthaal vanaf 18.30 uur)
in het Radiohuis, Boekhandelstraat 2, 3000
Leuven
Deelname is gratis, maar inschrijving wel
vereist, via: www.fara.be

 

Over het boek
Ons leven lijkt in toenemende mate maakbaar, beheersbaar, controleerbaar.
Bovendien zijn we maar een klik verwijderd van het instantgeluk dat voor het grijpen ligt. Tegelijkertijd stoten we op grenzen en beperkingen. Ervaringen in kinderwens en ouderschap, in het omgaan met ziekte of kwetsuren en maatschappelijke uitdagingen zoals terreur of de vluchtelingenstroom maken duidelijk dat de controle ons ontglipt. Het onverwachte is dan een streep door de rekening.

Ruimte voor het onverwachte zoekt een nieuw perspectief op datgene wat ons overkomt, zowel in het professionele als het persoonlijke leven. Het stimuleert om grote levensplannen in een ander licht te zien en aandachtig te leven.

DSTS wenst je en ons allen een Kerstmis en een nieuw jaar vol licht en vrede toe

Plotseling wordt de stilte verbroken. Is het weer  kanongebulder? Nee, er klinkt een stem, een Duitse, die zachtjes zingt: Stille Nacht! Heil’ge Nacht! Vervreemd zweeft het lied over de geboorte van het vredeskind over het uiteengerukte en doodse land. Maar dan barst het gezang los vanuit de Duitse loopgraven en golft het over de velden van Vlaanderen. Aan de andere kant blijft het even stil, tot de geallieerden beginnen te klappen en te roepen: ‘More, more’. De Duitsers antwoorden met ‘Merry Christmas, Englishmen’ en ‘We not shoot, you not shoot’. Het nieuws van de kleine vrede in de grote oorlog verspreidt zich als een lopend vuurtje; van de Noordzee tot aan de Zwitserse grens leggen vijanden de wapens neer en gaan samen kerstmis vieren. Nu het geweld is gestaakt, worden de doden in het niemandsland  begraven. Soldaten staan zij aan zij bij de graven. Het Onze Vader klinkt wisselend in het Engels en het Duits. Hierna  drinken ze champagne met elkaar, roken samen een sigaret en spelen een potje voetbal. 

Deze kleine vrede met Kerst 1914 is een unicum. Zo’n vrede, van onderaf door gewone mensen uitgeroepen, is nooit eerder in een oorlog voorgekomen. “It was the most wonderful thing of the war”, is later te lezen in berichten van ooggetuigen in Engelse kranten. 

Dit jaar is het precies een eeuw geleden dat de grote oorlog ten einde kwam. De duizenden fakkels bij de Tower of London eerder dit jaar zetten ons stil bij het licht dat terugkwam in en na de oorlog. Dat licht van vrede wil ook schijnen in onze levens en onze dagen, soms op onverwachte plekken en ontstoken door hen waarvan je het niet verwacht.

Van harte wensen we je en ons allen een Kerstmis en een nieuw jaar vol licht en vrede toe.

Bring in the light

In Nederland kennen we de pioniersplekken als plaatsen voor kerkvernieuwing. In Harlem (New York) heeft de Joodse gemeenschap een soortgelijk iets, de lab/shul. Het is een laboratorium-synagoge. Ik vier daar zaterdag 1 december de Sabbat. Het blijkt de Sabbat voor Chanoeka te zijn. Chanoeka is het achtdaagse feest van de onverwachte overwinning van het licht over de duisternis. Het feest bevat het wonder van het kleine kruikje dat voldoende gewijde olie blijkt te bevatten om de Menorah in de Tempel acht dagen te laten branden. Het grootste wonder van Chanoeka is misschien wel dat er mensen waren die überhaupt op zoek gingen naar gewijde olie te midden van de ravage en ontwijding die de Grieken hadden aangericht.

Deze dagen ben ik in New York voor een bijeenkomst van de Verenigde Naties (VN). Doel van deze bijeenkomst is om de samenwerking te versterken tussen religie en overheid op duurzame ontwikkeling. In 2015 hebben meer dan 150 landen in de algemene vergadering van de VN de 17 Sustainable Development Goals (SDGs) aangenomen, zoals armoedebestrijding, goed onderwijs en aanpak van klimaatverandering. De inzet is om deze doelen in 2030 gerealiseerd te hebben. Gaandeweg zijn deze doelen een gezamenlijke agenda geworden van overheid, bedrijfsleven en ngo’s om het goede leven voor allen vorm te geven. Religieuze tradities spelen in deze agenda echter nauwelijks een rol. De bijeenkomst gaat dan ook over het leren verstaan van elkaars taal als religies en overheid en het bouwen aan vertrouwen om tot een gezamenlijke agenda te komen. Uitgebreid wordt er gekeken naar concrete praktijken waar al samenwerking is.

Tegen het einde van de Sabbat roept de rabbijn van de lab/shul ‘Bring in the light’. De kaars waarmee het licht van Chanoeka ontstoken gaat worden, wordt binnengebracht. Traditiegetrouw zullen de kaarsen van Chanoeka de komende dagen buiten aangestoken worden, omdat ze staan voor het licht van hoop in de wereld. In de termen van ons Dominicaanse onderzoeksproject, zou je kunnen zeggen dat Chanoeka het feest is van ‘het goede leven voor allen’.

Na de Sabbats-viering komt de rabbijn naar me toe en drukt me een chanoekakaars in de handen: “Alsjeblieft, om mee te nemen naar Amsterdam. Bring in the light”. Als ik later thuiskom, zijn in het Dominicaanse klooster waar ik verblijf, de voorbereidingen voor het andere lichtfeest, advent, al in volle gang. In de entree van het gastenverblijf struikel ik bijna over de rode planten, waarmee de kerk van Sint Vincent Ferrer voor advent binnenkort versierd wordt.

De kaars van de rabbijn is ongeschonden in Amsterdam aangekomen. Ik ben benieuwd of mijn  collega’s bij het DSTS deze kaars samen met mij buiten in Amsterdam willen aansteken. Zal deze kaars acht dagen blijven branden? En wie of welke plek in Amsterdam zou daar het meeste behoefte aan hebben?

Hoe dan ook, binnen ons project ‘Het goede leven voor allen’ zal ik het licht vanuit de Joodse traditie inbrengen in een artikel over hoop in de context van klimaatverandering. Het artikel is een vorm van publieke theologie, die bij wil dragen aan maatschappelijke vraagstukken zoals verwoord in de SDGs. Tegelijkertijd vraag ik me af of alleen zo’n artikel niet te cognitief en te makkelijk is. Zijn het juist niet de religieuze tradities, die met verbeelding, verhalen, rituelen en kaarsen de hele mens kunnen inspireren. Kunnen deze tradities juist hiermee geen wenkend perspectief, het beloofde land, oproepen. Verdiepen ze daarmee niet de seculiere SDGs, zoals die op klimaatverandering (SDG 13)? Stel je eens voor dat Martin Luther King had gezegd ‘Ik heb een nachtmerrie’ in plaats van ‘Ik heb een droom’. Hoe zou de wereld er dan uitgezien hebben? Veel berichten over klimaatverandering oriënteren ons op een nachtmerrie. Waar is echter de droom. Deze tijd van Chanoeka en advent is bij uitstek de tijd om met elkaar op zoek te gaan naar die droom. ‘Bring in the light’ roepen ze ons toe, niet over onze hoofden heen, maar in het leven en de modder van alle dag, geïncarneerd zoals in het kind van Bethlehem. Het samen zoeken naar dit licht, naar deze hoop, te midden van alle nachtmerries aan de ene kant en scepticisme aan de andere kant, is dan misschien nog wel het grootste wonder. Zou deze zoektocht niet begeleid moeten worden door pioniersplekken, lab/shuls of een combi ervan in het publieke domein, ingevuld als werkplaatsen van hoop voor allen: overheid, bedrijfsleven, ngo’s en religieuze tradities? Bring in the light.

 

Jan Jorrit Hasselaar

Ver­schil­lend, en dan?

VU-symposium met Karen Armstrong op 29 november, 14.30-16.30u

Wat is de betekenis van compassie in een tijd van toenemende polarisatie? Donderdag 29 november gaan we tijdens het symposium Verschillend, en dan? hier uitvoerig op in. Hoe kan compassie ons helpen verschillen in achtergrond, geaardheid en overtuiging om te vormen tot een bron van inspiratie. Hoofdspreker is VU-eredoctor Karen Armstrong. Zij reikt tijdens het symposium ook de Compassieprijs 2018 uit.

Het symposium duurt van 14.30 tot 16.30 uur. Na afloop is er gelegenheid tot netwerken onder het genot van een drankje.

Programma

  • Opening door presentator Aldith Hunkar
  • Welkomstwoord van Mirjam van Praag, voorzitter Vrije Universiteit Amsterdam
  • Lecture ‘Compassion inside and outside the university’ door VU-eredoctor Karen Armstrong
  • Reactie van VU-alumna Domenica Ghidei, lid College voor de Rechten van de Mens
  • Talkshow, geleid door Aldith Hunkar, over VU initiatieven voor meer compassie: The Refugee Academy (met Halleh Ghorashi), Inside-out Prison Exchange Program (met Anne-Marie Slotboom en Elanie Rodermond), Nieuw Wij (met Manuela Kalsky), Genderteam Amsterdam UMC, locatie VUmc (met Muhammed al-Tamimi), Martin Luther King Lezing (met Dave Ensberg-Kleijkers)
  • Prijsuitreiking Compassieprijs 2018 door Karen Armstrong
  • Theatrale opening en afsluiting door Stichting Julius Leeft!

NB: het programma is grotendeels Engelstalig.

Meer informatie op de VU-website.
Aanmelding kan via deze link

De rozenkrans re-invented    

Onwennig en onhandig laat ik de kralen door mijn vingers glijden.

Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met u.

Om mij heen bidden vader Jessie en twee andere Dominicaanse broeders de rozenkrans hardop in het Latijn:

Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen.

Ik bevind mij in het klooster Santa Sabina, het bestuurlijk hoofdkwartier van de Dominicaanse orde in Rome. Santa Sabina is het klooster dat Dominicus (ca. 1172-1221) in 1218 van paus Paus Honorius III kreeg. Ik ben hier om me wat te verdiepen in de Dominicaanse familie en spiritualiteit. Opvallend is de rol die Maria hier speelt. In de cel van de heilige Dominicus hangt een verrassende afbeelding van Maria met vele Dominicanen onder haar mantel. Deze afbeelding gaat terug op een visioen van Dominicus. In dit visioen zag hij dat onze lieve Heer werd omringd door allemaal orden, zoals de Benedictijnen en de Franciscanen. Dominicus vroeg zich hardop af, waar zijn orde was. De Heer wijst naar Maria. Als engelen haar mantel oplichten, dan blijken de Dominicanen geborgenheid gevonden te hebben bij haar.  Sindsdien is Maria de patronage van de orde.

 

Elke avond om 19:10 wordt hier in Santa Sabina de rozenkrans gebeden. Het verhaal gaat dat Sint Dominicus het rozenkransgebed uit de handen van Maria zelf gekregen heeft. Het gebed bestaat uit het bidden van het Onzevader (15 keer) en het Weesgegroet (150 keer). Tijdens het bidden van de rozenkrans wordt de geboorte, het leven, het lijden en de opstanding van Jezus overwogen. Het gebed heeft niet altijd deze inhoud gehad. Het rozenkransgebed is een vervanging van het bidden van de 150 psalmen in het klooster, wat het bidden makkelijker maakte voor mensen die geen tijd hadden om de psalmen te bidden of deze niet konden lezen. Eerst werd er vooral 150 keer een Onze Vader gebeden. Later werd hieraan in het Westen de devotie tot Maria verbonden. Tijdens het rozenkransgebed wordt één van de delen van de zogeheten Geheimen van de Rozenkrans overwogen. Eeuwenlang waren er drie geheimen: de Blijde, Droevige en Glorievolle Geheimen. Deze hadden betrekking op de geboorte van Jezus, zijn lijden en zijn dood, maar nauwelijks op zijn leven. In 2002 heeft paus Johannes Paulus II de geheimen van het licht toegevoegd, die vooral aan Jezus’ leven herinneren. Samen vormen de geheimen zo een korte samenvatting van het levensverhaal van Jezus en Maria.

De geheimen van de rozenkrans zijn volgens Erik Borgman, in zijn Waar blijft de kerk (2015), een manier om te helpen “Gods blijvende nabijheid en betrokkenheid bij het alledaagse leven aan het licht te brengen”. Voor vele gelovigen zal dit inderdaad gelden. Als ik kijk naar het Nederland van 2018 dan is wel de vraag of deze vormgeving van de rozenkrans mensen, vooral de jonge generatie, helpt om de wereld en jezelf op een nieuwe manier te zien, namelijk vanuit God’s licht waarin een ieder ten diepst geliefd is. Misschien dat een rozenkrans in de broekzak van studenten theologie nog wel helpt om hun wereld en henzelf in het licht van het evangelie te zien.  Mijn studenten bedrijfskunde kennen die verhalen echter helemaal niet meer, laat staan dat ze beseffen wat er mee gezegd wil worden.

Een mooie poging om de traditie van de rozenkrans te ontsluiten voor andere doelgroepen, zijn de levensparels van de Zweedse lutherse bisschop Martin Lönnebo. Het is een achttienkralenarmband waarvan de kralen allemaal een andere kleur hebben. Elke parel staat voor een levensthema, zoals liefde, vriendschap of leegte. Ik kan me voorstellen dat de levensparels meer aansluiten bij mijn bedrijfskunde studenten dan het huidige rozenkransgebed. Deze levensparels zijn echter nergens meer te krijgen en misschien kan het nog wel eenvoudiger. De rozenkrans draagt in zich de 150 psalmen en is een samenvatting van het leven van Jezus. Waarom kunnen we dan niet volstaan met de samenvatting van de Torah en profeten zoals Jezus die gegeven heeft, bijvoorbeeld in het evangelie van Lucas:: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.” In een rozenkrans voor jongeren heet dat dan misschien zoiets als: “Je bent geliefd en de ander ook”. Als jongeren deze woorden bij zich dragen, dan kunnen zijzelf en hun wereld er wel eens heel anders uit komen te zien.

 

Jan Jorrit Hasselaar

Opinie: Het is maar een verhaal  

 Een dag of tien geleden werd ik op de markt aangesproken door zo’n jonge, frisse student die donateurs aan het werven was. Voor Unicef, ditmaal. Directe aanleiding: de aardbeving in augustus op Lombok, een van de vele eilanden van Indonesië. Daarmee raakte deze student bij mij een gevoelige snaar. Om meerdere redenen voel ik me nog steeds verbonden met die voormalige Nederlandse kolonie. Mijn twijfels over de Nederlandse rol in dat grote eilandenrijk van twee oceanen verderop begonnen zo’n veertig jaar geleden, toen ik nog op school zat en moest “lezen voor de lijst”. Ik had Multatuli’s Max Havelaar op mijn literatuurlijst staan. Het meesterwerk waarin de schrijver een genadeloos portret borstelt van de Nederlandse koloniale praktijk in “ons Indië”. Multatuli – een voormalig bestuursambtenaar in de kolonie – deed dat niet door een pamflet te schrijven, wel door een verhaal te vertellen. En wat voor een verhaal. Ik begon destijds ’s avonds op mijn zolderkamertje te lezen en kon niet meer ophouden tot ik het uit had. Mijn ouders hebben nooit geweten dat ik die nacht alleen maar gelezen heb en niet geslapen.

 

Zeggingskracht

Max Havelaar heeft mijn kijk op de Nederlandse koloniale geschiedenis ingrijpend beïnvloed, zoals dat is gebeurd bij veel meer lezers van deze meesterverteller. Van de Max Havelaar zal je nooit kunnen zeggen, dat het “maar een verhaal” is. Het heeft mij in ieder geval duidelijk gemaakt dat een echt verhaal – zo’n verhaal waarvan John Ronald Reuel Tolkiens Sam Gamgee zei “the stories that stay with you” – een zeggingskracht heeft die werkelijk dingen kan laten gebeuren. Zulke verhalen lees of hoor je op eigen risico: ze kunnen zomaar je kijk op de wereld veranderen. En dan kun je vervolgens hun zeggingskracht wel negeren, maar ook dat doe je op eigen risico. Een echt verhaal vertelt ons iets wezenlijks over wie wij als mensen zijn, en hoe we in de wereld kunnen of zouden moeten staan. Of hoe we dat juist niet moeten doen. In termen van de semiotiek, de wetenschap die zich bezighoudt met het ontstaan van betekenis, wordt dat het programma en antiprogramma van een verhaal genoemd. Het antiprogramma van Max Havelaar wordt door Multatuli in het laatste hoofdstuk nog eens expliciet neergezet, maar voor iedere goede lezer is dat al lang duidelijk: in Nederlands-Indië worden meer dan dertig miljoen onderdanen van de Nederlandse koning mishandeld en uitgezogen “in uw naam”.

 

Niet-begrijpende blikken

Op dezelfde dag dat ik op de markt werd aangesproken, stond in de Volkskrant een interview met Alain Verheij, een van de jonge spraakmakende theologen in Nederland. In dat interview werd hem onder meer gevraagd wat hij deed om jongeren opnieuw warm te maken voor de christelijke traditie. Zijn antwoord: “Door Bijbelverhalen te vertellen; dat zijn verhalen die mensen al tweeduizend jaar inspireren”. En daarmee slaat hij de spijker op de kop. Een van de vragen die ik als theoloog vaak krijg is: “Het is toch niet echt gebeurd, wat daar in de Bijbel staat?” En mijn antwoord luidt dan steevast: “Of het echt gebeurd is, dat doet niet ter zake. Het zijn verhalen, en een goed verhaal heeft zijn eigen waarheid”. En als dat dan niet-begrijpende blikken oplevert – wat het vaak doet – dan haal ik graag het voorbeeld van de Max Havelaar erbij. Ook “niet echt gebeurd” – het is een roman – maar Multatuli heeft met dat ene boek meer gedaan om Nederlanders bewust te maken van wat er in hun naam in Indonesië uitgehaald werd, dan mogelijk was geweest met twintig pamfletten. Zijn verhaal is herkend als “waar”. Geen feitelijke “echt gebeurd”-waarheid, maar een verhaal-waarheid. Waarheid in de zin van: een zeggingskracht die zomaar je kijk op de wereld kan veranderen. En wie zo’n waarheid aan de kant schuift – of het nu die van de Max Havelaar is of die van de verhalen uit de Bijbel – doet dat op eigen risico.

 

Heleen Ransijn

 

Deze column verscheen eerder in het christelijke opinieweekblad Tertio (10 oktober 2018). Info over abonneren of een proefnummer aanvragen: www.tertio.be.

Erbij horen

 

 

Van 27 tot 31 augustus 2018 vond aan de Vrije Universiteit Amsterdam in samenwerking met de Universität Hamburg een Summer School plaats. 50 Duitse en Nederlandse studenten, afkomstig uit verschillende wetenschappelijke disciplines, werkten samen aan het thema ‘Seeking for Belonging. Societal and Societal Dimensions’. De donderdagochtend stond in teken van het veranderende religieuze en culturele landschap van Nederland en de daarmee opkomende vragen naar belonging.

 

Theologe Manuela Kalsky, directeur van het Dominicaans Studiecentrum en bijzonder hoogleraar op de Schillebeeckx-leerstoel aan de Vrije Universiteit, maakte de studenten wegwijs in het veranderende religieuze en levensbeschouwelijke landschap van Nederland. Wat zijn de gevolgen van individualisering en secularisering, van de komst van mensen met andere religieuze en culturele achtergronden en het ontstaan van ‘ongebonden spiritualiteit’? Ze liet de resultaten zien van het DSTS en VU onderzoek naar ‘multiple religious belonging’, waaruit blijkt dat een kwart van de Nederlandse bevolking voor hun zingeving uit verschillende religieuze bronnen putten. Wat betekent dat voor de tot nu toe via confessies ingedeelde geestelijke verzorging in bijvoorbeeld ziekenhuizen en gevangenissen? De vraag zal iedereen nog even bezighouden, hoe we constructief-kritisch met culturele en levensbeschouwelijke verscheidenheid om kunnen gaan in onze West-Europese samenleving, zodat we zonder de onderlinge verschillen weg te poetsen, het goede leven voor allen bevorderen.

 

Portugese synagoge

 

 

In de middag nam Manuela Kalsky de studenten mee naar de Protestantse Diaconie Amsterdam, waar het Dominicaans Studiecentrum gevestigd is. Een bezoek aan het Wereldhuis stond op het programma. Het biedt mensen zonder papieren dagopvang, een warme maaltijd en steun. Daarna volgde een rondleiding door de oude joodse buurt, met o.a. een bezoek aan de Portugese Synagoge.

 

 

Warme maaltijd in ‘De Kas’

Ondertussen hadden de bezoekers van het wereldhuis voor ons een warme maaltijd bereid, die we in de kas aten, de plek waar  s’ middags de mensen zonder papieren voor hun warme maaltijd bijeen komen.

Het was een dag met veel nieuwe informatie en indrukken voor de studenten. Een dag waar hoofd een hart, theorie en praxis bij elkaar kwamen – en het inzicht dat ‘erbij horen’ in onze tijd een uitermate complexe aangelegenheid en opgave is.

 

Manuela Kalsky