DSTS | Die fietsenmaker? Gewoon een wijs man
23114
post-template-default,single,single-post,postid-23114,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,select-theme-ver-3.2.1,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12,vc_responsive

Die fietsenmaker? Gewoon een wijs man

Het goede leven voor allen. Vanuit Dominicaans-theologisch en interreligieus perspectief gaat het DSTS op zoek naar ingrediënten die nodig zijn voor dit leven. In deze serie ‘Het goede leven voor allen’ komen verschillende mensen uit de dominicaanse beweging aan het woord. Wat zijn hun smaakmakers? Zr. Christa (1945), dominicanes van Bethanië en woonachtig in Stevensbeek, houdt het op ‘harmonie’. “Leef in harmonie met jezelf en je omgeving. Ruzie maken mag, een blauw oog gaat vanzelf weer over, maar leg het bij voordat je naar bed gaat.”

Door: Tanja van Hummel

Wat versta jij onder het goede leven voor allen?
“Voor mij bestaat het goede leven uit een leven in harmonie met jezelf en met je omgeving. Vanuit die harmonie komt een stuk relativering naar alles wat er om je heen gebeurt. Daardoor laat je je niet van de wijs brengen door de waan van de dag, reclamekreten en modedingen. Ze beloven dat je zo gelukkig wordt. Nou, dat is dus flauwekul. Want dat geluk bestaat alleen voor degene die verkoopt. Dus mijn basisidee is streven naar harmonie. Kijk naar wat je werkelijk nodig hebt om gelukkig te worden.

Ik heb lang met zeer moeilijk opvoedbare meisjes (14 tot 21 jaar oud) gewerkt. Nou, wij noemden deze meisjes ‘dochters van zeer moeilijk opvoedbare ouders’. Bij deze meisjes zagen we een disharmonie. Op veel te jonge leeftijd moesten ze al volwassen zijn. De harmonie probeerden we te herstellen door op zoek te gaan naar hun eigen, persoonlijke, sterke kant. Die sterke kant moet je ontwikkelen. En dan kregen ze het gevoel ‘ik beteken wat’, ook al ging het om iets heel kleins. Het gaat er niet om dat je een ongelooflijk hoge baan en ongelooflijk veel aanzien hebt. Het gaat erom dat je iets kunt bijdragen aan de maatschappij. En heel eenvoudige dingen kunnen al mateloos belangrijk zijn.”

Hoe geef je in je eigen leven hier vorm aan?
“Nadat het klooster leeg was komen te staan, verveelde ik me mottig. Toen ik ontdekte dat ik vrijwilliger bij Oorlogsmuseum Overloon kon worden, heb ik dat gelijk gedaan. Ik ben hartstikke druk met het geven van rondleidingen. Ik doe veel schoolklassen. Ik draag daar mijn boodschap van vrede uit. Ik heb mijn hele leven al in religieuze vredeswerkgroepen gezeten, maar dan preek je voor eigen parochie. Dit is veel uitdagender.

Aan het eind van de rondleiding, ‘preek’ ik altijd even. Ik zeg tegen de kinderen dat ze zelf aan vrede moeten werken. Dan zie je ze altijd een beetje schrikken. ‘Nou, dat is heel makkelijk. Je hoeft geen grote daden te verrichten, maar begin gewoon bij jezelf. Niet discrimineren, want het maakt echt niet uit welke huidskleur of welk geloof je hebt. Geef elkaar de ruimte. En ruzie maken mag, een blauw oog is helemaal niet erg. Dat gaat vanzelf weer over. Maar leg voordat je gaat slapen het weer bij.’

Ik kan het niet laten. Ik vind het heel belangrijk dat we goed met elkaar omgaan. Het gaat niet om de verpakking, maar om de inhoud. In het klooster werkte een zuster die er soms als een vogelverschrikker uitzag. Ze had echt niet veel aanzien. Maar ze had ongelooflijk veel kennis over koeien. De boeren uit het dorp kwamen haar om raad vragen. Dat spaarde dan weer een dierenarts uit. En daardoor werd ze door de boeren zeer gewaardeerd.”

Hoe zou de samenleving hier vorm aan kunnen geven?
“Er zou waardering moeten komen voor heel eenvoudige, basale beroepen en de mensen die deze beroepen uitoefenen zouden daarvoor een eerlijk loon moeten krijgen. Nu wringen mensen zich in allerlei bochten om maar beter te presteren en een hogere opleiding te doen. Maar daar knappen ze uiteindelijk op af. Zo word je niet gelukkig.

Het zijn zulke gouden mensen die een basaal beroep uitoefenen. Mijn rijinstructeur was een afgekeurde bouwvakker. Hij heeft me leren rijden als een bouwvakker. Geweldig! ‘Steek die sigaret maar op, dat doe je straks toch ook.’ En als kind kwam ik bij een fietsenmaker. Ik praatte lang met hem en toen ik thuis kwam trok ik mijn vader mee naar de winkel, want ‘het is zo’n aparte man’. Toen mijn vader hem had gezien, zei hij: ‘Dat is gewoon een wijs man’. Het gaat om hoe je in het leven staat. We moeten elkaar het licht in de ogen gunnen en met beide benen op de grond staan.”

Tanja van Hummel is stafmedewerker van het DSTS