DSTS | “Het gaat blijkbaar over God en zo”
23157
post-template-default,single,single-post,postid-23157,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,select-theme-ver-3.2.1,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12,vc_responsive

“Het gaat blijkbaar over God en zo”

“Het gaat blijkbaar over God en zo”

Het goede leven voor allen. Vanuit Dominicaans-theologisch en interreligieus perspectief gaat het DSTS op zoek naar ingrediënten die nodig zijn voor dit leven. In deze serie: ‘Het goede leven voor allen’ komen verschillende mensen uit de dominicaanse beweging aan het woord. Wat zijn hun smaakmakers? Leo Raph. A. de Jong OP zet zich over zijn weerstand tegen deze veel te grote vraag heen, zoekt en komt tot een verrassend antwoord.

Door: Tanja van Hummel

Wat verstaat u onder het goede leven voor allen?
“Tjonge, wat een vraag! Mag het ook een onsje minder zijn? Ik bemerk dat deze vraag weerstand bij mij oproept. Hij is zo groot, zo veelomvattend, zo ontzaglijk, dat ik het bijna arrogant vind om daar iets zinnigs over te zeggen. Moet wat ik zeg, opgaan voor zo ongeveer zes miljard mensen?

En een olifant of een goudvis, een olijfboom of een vlierstruik, die leven toch ook?! Moet wat ik zeg opgaan voor het goede leven van alles en iedereen, die bestaat en leeft? Tjonge! Ik zou niet durven. Wat moet ik aan met die vraag naar ‘het goede leven’? Ik weet het niet.”

Misschien helpt het als we de vraag concreter maken. Wat doet u om het leven ook voor anderen goed te laten zijn?
“Ik kan hierop alleen maar antwoorden met een paar fragmenten.

Ik heb mijn planten verzorgd; ik ben vriendelijk geweest voor een paar honden; ik heb een paard regelmatig bladeren van een paardenbloem gegeven. Dat stelde deze merrie blijkbaar op prijs, want als ik bij het hek kwam, liep zij mij vrolijk hinnikend tegemoet. Ik stap bij voorkeur een beetje zorgvuldig over een rups of ander diertje heen. Maar ik vermoed dat dit allemaal de stellers van de vraag naar ‘goed leven’ worst zal wezen. Het zal wel weer over de mens en de mens alleen moeten gaan.

Wat heb ik voor mensen gedaan?? Met grote regelmaat heb ik God ter sprake gebracht. Hadden ze daar iets aan en werd hun leven daardoor iets beter? Ik hoop het. Want ik hoop dat die ontmoetingen de ander enig idee hebben gegeven van de echo-van-oneindigheid die in zijn/haar leven meeklinkt. Dat hij of zij – om met Meister Eckhart OP te spreken – van hoge adel is, ook al lijkt dit leven nog zo oppervlakkig of onbelangrijk. Dat hij of zij gewild en bemind wordt hoe het leven verder ook verloopt. Zoiets.

Ik heb geluisterd naar de verhalen over hun leven. Ik heb geprobeerd om die levensverhalen met hen te ‘zien’, te ‘horen’ en te ‘zegenen’, en zo, door er een beetje licht van belangstelling op te laten schijnen, de diep-duistere schaduwen wat minder donker te maken.

Heb ik bij sommigen meegewerkt aan een ‘goed leven’? Ik zou het te veel eer vinden om hier ‘ja’ op te zeggen. Ik heb alleen maar een beetje puin geruimd en hier en daar hopelijk een raam of deur geopend. Ik vermoed echter wel dat daar bij mij onbewust een groot geloof in de grootsheid van het leven in zit. Ruim de remmingen op en het leven vindt dan haar eigen goede weg wel. En nu bedenk ik ineens dat bij vele mystici, in welke religie dan ook, het concrete levende leven als Goddelijk gezien wordt. Ik huiver dus terecht voor die enorme vraag naar het goede leven voor allen. Want het gaat blijkbaar over God en zo, tenminste voor mij.”

Welke les zouden we hieruit voor de samenleving kunnen trekken?
“Ik kan hier alleen fluisterend op zeggen dat het wellicht goed zou zijn als wij in ons leven, in ons doen en denken, meer uitgaan van de fundamentele eenheid en verbondenheid van alles dat bestaat en leeft. We moeten niet zozeer uitgaan van het ons aangeleerde, en als ideaal getekende, denken in objectiviteit: ik tegenover en los van al het andere. Zelfs niet als dat een zich medelijdend neerbuigen over de ander zou zijn. Er zijn mystici die de ‘Ene Werkelijkheid’ vatten als het Lichaam van God. Onder andere de dominicaan Meister Eckhart OP mijmerde in die richting. Want hoe zou God anders in onze wereld kunnen opduiken dan in alles en in iedereen? Ineens wordt het feit dat ik een paard een plezier doe een Godsverering. Maar, zoals gezegd: dat durf ik alleen maar fluisterend te zeggen.”

Tanja van Hummel is stafmedewerker bij het DSTS