![]() |
![]() |
|
Dit artikel is een bewerking van de Genderlezing 2003, gehouden in de Balie te Amsterdam, 18 november 2003.
Als religie niet alleen maar sexy en smaakvol is… Een drieluik over vrouwen en religie in Nederland Hoe ziet religie in Nederland eruit aan het begin van de 21ste eeuw? In een drieluik zal ik op elk paneel een ander aspect schetsen. Bij het linkerpaneel (‘als religie maar sexy en smaakvol is’) en het middenpaneel (‘sluierbewolking’) staat de schijnwerper gericht op beeldvorming van religie in de media, en op het publieke debat over de actuele betekenis van religie in de Nederlandse samenleving. In deze beeldvorming belichamen vrouwen allerlei ambigue verlangens en angsten omtrent de culturele rol van religie. In het derde paneel (‘kritische toe-eigening’) verplaats ik daarom het zoeklicht en laat ik enige taferelen oplichten waarin vrouwen actief buiten de grenzen van deze publieke beeldvorming treden om de sluipwegen van hun eigen religieuze traditie te verkennen. Linkerpaneel: als religie maar sexy en smaakvol is Ik wou u eerst maar eens meenemen naar Center Parcs. Daar legt marketingdirecteur Paul Geraeds uit dat de parken zich er steeds meer op toeleggen om in te spelen op ‘een groeiende behoefte aan hersteltijd’. Mensen komen naar Center Parcs om bij te komen van hun drukke werkzame leven. ‘Nu even niet’ zeggen de hoofdpersonen uit de reclamespotjes. Dat je je in Center Parcs de hele dag als een razende kunt inspannen in Aqua Mundo’s en Action Factories, doet volgens Geraeds niets af aan de rustgevende kwaliteit van de parken. Immers, alle attracties zijn ruim opgezet met voldoende rustpunten. ‘Weer even tijd hebben voor elkaar, dat wordt steeds belangrijker’; alle activiteiten zijn daaraan ondergeschikt. Geraeds durft nog wel een stap verder te gaan. Hij heeft sterk het vermoeden dat de behoefte aan hersteltijd een ‘comeback van de spiritualiteit’ inluidt. In Engeland hebben de parken al Zen Gardens, vertelt hij, plekken waar je helemaal tot rust kunt komen. Het zou hem niets verbazen als zoiets op het continent ook van de grond komt (Jungmann, 2003). De suggestie van een comeback van de spiritualiteit is in deze context zeer interessant. Brengen we ons de geschiedenis van Center Parcs in herinnering. Het bedrijf begon ooit als Sporthuis Centrum, oorspronkelijk een speciaalzaak in sportartikelen van de Rotterdamse zakenman Piet Derksen. De in 1996 overleden Derksen begon met de verhuur van tenten, maar wist de vrijetijdsparken tot een West-Europees miljardenbedrijf op te werken. Derksen smeet zijn geld niet over de balk: hij investeerde royaal in conservatief-katholieke initiatieven op het gebied van de media, zoals het Katholiek Nieuwsblad, het gezinsblad Manna en het evangeliserende Eternal World Television Network. Mogen we bij de comeback van spiritualiteit misschien spreken van een terugkeer van het verdrongene? En dan op de manier waarop het verdrongene altijd verschijnt: in een andere gedaante, dus niet altijd meteen herkenbaar, en diffuser dan het oorspronkelijke model. Maar niet minder betekenisvol. In de ophanden zijnde comeback van de spiritualiteit in Center Parcs duikt in ieder geval de verbinding tussen het religieuze en het commerciële in een nieuwe gedaante op. In de jaren zestig tot tachtig van de twintigste eeuw kreeg deze verbinding gestalte middels de ideologisch gekleurde transacties achter de schermen van eigenaar Piet Derksen. Zijn financiële bemoeienis maakte in feite deel uit van een achterhoedegevecht. Het waren pogingen om het tij te keren van de ontkerkelijking van de samenleving en de kritiek van Nederlandse progressieve katholieken op de officiële kerk. Inmiddels, aan het begin van de 21e eeuw, hebben de traditionele godsdiensten en de grote kerken in Nederland enorm aan betekenis ingeboet. Maar sinds een jaar of vijf mag religie zich verheugen in nieuwe belangstelling, zij het slechts in geringe mate binnen de traditionele levensbeschouwelijke verbanden en hun discoursen. Aandacht voor religie heeft vooral de vorm gekregen van interesse voor persoonlijke spiritualiteit en zingevingsvragen. Niet alleen in bezinningscentra, studentenkerken, en praatprogramma’s op de televisie, maar in alle hoeken van de maatschappij gonst het van de geluiden dat we ‘meer contact moeten maken met de geestelijke dimensie van ons bestaan’. Wanneer deze tendens ook in het zinnebeeld van de Nederlandse vrijetijdssamenleving, Center Parcs, is doorgesijpeld, kunnen we er niet meer omheen. In een interessante brochure van de Katholieke Raad voor Kerk en Samenleving, Hunkering naar heelheid, wordt de achtergrond van de nieuwe aandacht voor spiritualiteit en religie uitvoerig belicht (Werkgroep Nieuwe Religieuze Bewegingen, 2000). De schrijvers van deze brochure spreken over de ‘nieuw-religieuze beleving’ in Nederland. Een beleving die zich het meest opvallend manifesteert in New Age-aanhangers en evangelicale christenen, maar waarvan de grondtrekken ook aan te treffen zijn bij de Nederlanders die in diffuse zin religieus en spiritueel geïnteresseerd zijn. En ook de religiositeit van tal van mensen die betrokken zijn gebleven bij de katholieke en protestantse kerken vertoont nieuw-religieuze trekken. Het nieuw-religieuze verlangen wordt omschreven als de hunkering naar heelheid van geïndividualiseerde mensen, met een gefragmenteerd bestaan in een verbrokkelde wereld. Het moge duidelijk zijn dat met individualisering geen morele categorie maar een maatschappelijk proces bedoeld wordt.Mensen zijn in toenemende mate losgeraakt van de invloed van traditionele verbanden als klasse, stand, kerk, buurt, en ook sekse, op hun denken en doen. We worden voortdurend teruggeworpen op onszelf. We integreren in de samenleving door een assertief, zelf verantwoordelijk en autonoom kiezend individu te zijn. Het recht zelf het eigen leven in te richten is de verbindende waarde van onze cultuur geworden. Maar het is ook een plicht en een noodzaak geworden, die een enorme druk op mensen legt. Bovendien heeft ieder individu tegenwoordig tal van rollen te vervullen in het leven. We worden geacht moeiteloos te switchen van de ene levenssfeer naar de andere, met elk verschillende tijdsindelingen, omgangsregels en waardepatronen. Voortdurend worden mensen aangespoord hun leven zelf in de hand te nemen, terwijl tegelijkertijd van hen verwacht wordt dat ze zich soepel aanpassen aan de steeds veranderende omstandigheden. Het zoeken naar een antwoord op de existentiële problemen waarvoor mensen door de individualisering gesteld worden, leidt natuurlijk niet noodzakelijk tot een hernieuwd religieus verlangen. Maar de feitelijke onmogelijkheid in een meervoudig bestaan een funderend en authentiek ‘zelf’ te vinden, kan wel een dergelijk verlangen oproepen. Het gewicht van de individuele verantwoordelijkheid leidt tot het verlangen gedragen te zijn, juist in de eigen individualiteit: wanneer men vertrouwt op een transcendente bron wordt het mogelijk de eigen persoonlijkheid te zien als een vrij en tegelijkertijd gedragen en gesteund ’zelf’. De individualisering kan verder leiden tot een nieuw verlangen naar ‘echte’ gemeenschap, waarin men ‘zichzelf‘ kan zijn in een gezamenlijke beleving. En juist de onttraditionalisering voedt de belangstelling voor oude tradities en nieuwe traditievorming.Gezien de onzekerheden in hun levensloop en de versplintering van hun bestaan zullen mensen vooral op zoek gaan naar het gevoel van continuïteit dat religieuze tradities altijd verschaffen. Zoals de auteurs van Hunkering naar heelheid het mooi formuleren, het heilsaanbod van nieuw-religieuze bewegingen is een uitdrukking van ‘het taaie menselijke verlangen naar geluk’. Twee in mijn ogen belangrijke kwesties met betrekking tot de nieuwe belangstelling voor spiritualiteit en religie komen niet zo naar voren in de brochure. Op de eerste plaats wordt veronachtzaamd dat ook de opkomst van de islam een factor is in de hernieuwde aandacht voor religie in Nederland. Een ingewikkelde factor. In een opmerkelijke bijdrage in de Forum-rubriek van De Volkskrant trekt de Iraans-Nederlandse publicist Shervin Nekuee stevig van leer tegen wat hij ziet als een ‘obsessie met de islam’ in Nederland (Nekuee, 2003). Nekuee is gevlucht uit het Iran van de ayatollah’s, houdt van een biertje, heeft homoseksuele vrienden en is moslim. ‘Hoe kun je je moslim noemen?’ vragen zijn Nederlandse gesprekspartners soms verontwaardigd. Nekuee hierover: ‘Nederlanders zijn streng in de leer, ook al hebben ze zelf het geloof afgezworen. Ambivalentie is de grootste zonde die je kunt begaan in dit land.’ Nekuee constateert dat de retoriek over achterlijke moslims de ‘massa, de media en de polderintellectuelen’ in Nederland momenteel in een staat van opwinding brengt. De verklaring die hij geeft voor de obsessie met de islam is zelf ook niet van retoriek gespeend, maar de strekking ervan laat zich niet negeren. In een voorstelling van de moslim als achterlijke barbaar vindt onze radicaal geïndividualiseerde, zielloze samenleving een middel om weer gemeenschappelijkheid te ervaren. Vanuit de angst voor de islam krijgt het geknakte autochtone bewustzijn van de eigen sublieme beschaving een nieuwe impuls. ‘In moslims zoekt de samenleving naar het beest, om het eigen mens-zijn te ontdekken’, aldus Nekuee. Nekuee legt hier een vinger op de zere plek. Er wordt in toenemende mate van alles op de islam en op moslims geprojecteerd, met name in de politiek en het publieke debat. Ik kan voor een belangrijk deel meegaan in zijn veronderstelling dat het creëren van een Ander van de westerse cultuur onze ontzielde samenleving helpt om een verloren gemeenschappelijke identiteit te hervinden. Ik denk alleen dat deze geprojecteerde gemeenschappelijke identiteit ambivalenter is dan Nekuee veronderstelt. Deels is er sprake van de vermeende superioriteit van de verlichte, westerse cultuur, waarvan de achterlijke islam het tegenbeeld vormt. Tegelijkertijd echter zou je kunnen inbrengen dat de publieke obsessie met de islam ook te maken heeft met het besproken nieuw-religieuze verlangen naar heelheid. Moslims worden misschien als bedreigend en vreemd ervaren, als gelovigen representeren zij wat Nederlanders zelf verloren menen te hebben: gemeenschap, identiteit, spiritualiteit, traditie. Als zodanig worden zij gelijktijdig een object van angst en van nostalgie, een ongemakkelijke combinatie. Als tweede punt wil ik de invloed van de visuele media in het modelleren van de nieuwe belangstelling voor religie en spiritualiteit inbrengen. De nog niet uitgekristalliseerde comeback van de spiritualiteit in Center Parcs wordt elders al volop in publicitaire succesformules gegoten. Hierbij speelt de visualisering van onze cultuur een centrale rol. Glossy tijdschriften, artistiek vormgegeven internetsites, smaakvolle televisiemagazines met aantrekkelijke presentatrices en glanzende folders van bezinningscentra bieden mooie beelden, die vaak een streling van ook de andere zintuigen beloven. Als voorbeeld moge de in oktober 2003 gelanceerde glossy Happinez van hoofdredacteur Inez van Oord gelden. U begrijpt, ook ik ben niet ongevoelig voor de woordspeling! Hoewel het redactioneel neutraal spreekt van een ‘tijdschrift voor mensen die met twee benen op aarde staan’, lijkt het blad op de eerste plaats gericht op de groep goedopgeleide, maatschappelijk actieve en veelal gestresste vrouwen tussen de 30 en 55. Op de website staat Happinez aangekondigd als ‘het nieuwe mindstyle magazine over leven met hart en ziel.’ Dit wordt als volgt toegelicht: ‘Na hardheid willen we milder denken. Na oppervlakkigheid verlangen we naar persoonlijk contact en echtheid. Na leven vanuit het verstand hebben we zin in luisteren naar het gevoel. De automatische piloot mag uit. We zoeken naar zingeving en snuffelen aan spiritualiteit. We slaan nieuwe wegen in waarop we passie, aandacht en betrokkenheid tegenkomen.’ Het eerste nummer is een lust voor het oog en aangenaam voedsel voor de geest. Artikelen over de heilige lotusbloem en over juwelen met een glimlach, interviews met wijze vrouwen, een column over de ziel van NRC-recensente Marjoleine de Vos die ik, eerlijk is eerlijk, graag zelf geschreven zou hebben. Verder bijvoorbeeld een sfeerreportage over een abdij in Frankrijk, ‘Stilte als medicijn’ geheten en een aanbeveling van een boek van spiritueel leider Eckhart Tolle met de titel De stilte spreekt. ‘Wie spiritueel wil bijtanken, loopt liever naar de boekhandel dan naar de kerk’, luidt de eerste zin van de bespreking van dit boek. Maar ook in de confessionele hoek wordt het esthetische gevoel veel en graag ingezet om de hedendaagse zinzoeker aan zich te binden. Zo vond op 26 oktober 2003 voor de vierde maal het KRO-Festival Mirakel van de Schoonheid plaats met ‘talloze leuke en inspirerende activiteiten op het gebied van spiritualiteit, schoonheid, kunst en inspiratie’. Als boegbeeld voor het gelijktijdig in een schouwburg en een katholieke kerk plaatsvindende festival fungeerde de zangeres Petra Berger. Zij had net een album uit met nummers over de emoties van zowel beroemde minnaressen als bedrogen echtgenotes, van Frida Kahlo en Camille Claudel tot Maria Callas en Hilary Clinton. ‘Gevoelens die ongeacht de tijd waarin we leven even intens zijn.’ Leven met hart en ziel, schoonheid, passie en inspiratie - wie kan dit spirituele verlangen beter belichamen dan een mooie vrouw? Anders dan in voormoderne tijden doet zij dit niet langer slechts als object en projectiescherm van het mannelijk verlangen. Vrouwen zijn inmiddels geëmancipeerde subjecten en mogen het gepassioneerde spirituele leven ‘met hart en ziel’ zelf vieren en bezingen. Tenminste, als ze geen moslima zijn. Rechterpaneel: sluierbewolking Moslima’s worden geacht wat hun hart en ziel beweegt vóór zich te houden, op straffe van uitsluiting uit goede opleidingen en interessante banen. Dat hebben de leerlingen met hoofddoek op het St. Gregoriuscollege te Utrecht en de virtuele journaliste met hoofddoek bij Opzij wel gemerkt. Over het algemeen verschijnen moslima’s in de openbare beeldvorming in Nederland ofwel als onderdrukte slachtoffers van de islam, ofwel als prijzenswaardig tegenbeeld van hun ontspoorde criminele broers: als hardwerkende uitblinkers op school. In beide gevallen is de meetlat waarlangs zij gelegd worden de vraag in hoeverre zij zich manifesteren als rationele, geëmancipeerde burgers van Nederland. Dat betekent veelal: het is allemaal best zolang je maar niet merkt dat een moslima iets met religie heeft. Want religie in Nederland wordt geaccepteerd, via de media soms zelfs gecultiveerd, als persoonlijke weekendactiviteit. Abdijweekenden voor gestresste managers, zingevingsfestivals, spiritueel bijtanken met een boek op de bank, en vooruit, ook de traditionele kerkgang: allemaal prachtig zolang het maar een privézaak blijft. Moslima’s overtreden deze regel wanneer ze zichtbaar en publiekelijk uitdrukking geven aan hun geloof, zoals in het dragen van een hoofddoek. Dat zij dit de laatste jaren steeds vaker zijn gaan doen heeft te maken met de bekende serie gebeurtenissen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten, de moord op Pim Fortuyn en de vaderlandse debatten over het mislukken van de multiculturele samenleving en de integratie van allochtonen. In een artikel in het tijdschrift Lover stelt Groen Linkskamerlid Farah Karimi dat de steeds verbetener roep om assimilatie van moslims bij veel van hen een defensieve reactie heeft teweeggebracht (Karimi, 2003). Men trekt zich terug in zelfgecreëerde gemeenschappen en verdedigt een religieuze en etnische identiteit tegen onbegrip en agressie van buiten. Karimi komt de laatste tijd steeds meer vrijgevochten, geëmancipeerde jonge moslimvrouwen tegen die zich ‘protestmoslima’s’ of ‘solidariteitsmoslima’s’ noemen. Zij betreurt dat deze positiebepaling er toe leidt dat deze vrouwen hun emancipatiestrijd ondergeschikt maken aan de bescherming van hun etnische groep en hun religie. Zij verdedigen nu tradities waartegen zij jarenlang hebben gevochten. Ik wil Karimi’s zorg over de backlash van de ontwikkelingen in Nederland en de effecten ervan op vrouwen geenszins bagatelliseren. Integendeel, als feministisch theoloog steun ik volmondig haar oproep aan islamitische vrouwen om positie te kiezen tegen de heersende assimilatiegedachte èn zich te verzetten tegen de onderdrukking van vrouwen in welke cultuur, religie en traditie dan ook. Als feministisch theoloog moet ik tegelijkertijd een impliciete veronderstelling van Karimi’s artikel bekritiseren. Dit is het idee dat religie, in casu de islam, een massief en onveranderlijk blok van waarden en normen is, dat buiten het gelovige subject staat. Als zodanig zal religie vrouwenemancipatie dwarsbomen, of in het gunstigste geval niets in de weg leggen. Zo’n benadering kom je veel tegen in het progressieve, kritische deel van het publieke debat en de media. Ook als geprobeerd wordt met een open blik naar moslima’s te kijken, en zelfs te luisteren, is een bepaalde invalshoek dominant: de vraag of de islam de emancipatie van moslima’s niet in de weg zit.1 Emancipatie betekent dan dat een moslima een opleiding heeft, haar eigen geld verdient, haar eigen partner uit kan zoeken, en last but not least, er zelf voor kiest om al dan niet een hoofddoek te dragen. Het komt echter zelden voor in de openbare discussie dat men buiten het moderne referentiekader treedt en een postmoderne nieuwsgierigheid aan de dag legt naar wat religie meer of anders kan zijn dan een belemmering voor emancipatie. Zelden wordt bedacht dat religie niet simpelweg een set voorschriften en verboden is, of een onwrikbaar normen- en waardenstelsel. Religie heeft ook met religieuze beleving te maken, met bezieling en levensvervulling, met geloof in het onbevattelijke. Religie heeft te maken met visies op het goede leven en visioenen van het beste leven. En als zodanig is religie geen pakket eeuwige waarheden maar een dynamisch proces waarin gelovigen zelf betrokken zijn.2 Zoals Marjo Buitelaar, universitair hoofddocent hedendaagse islam in Groningen, het in haar Catharina Halkeslezing 2002 formuleerde: ‘Het idee dat mensen niet alleen gevormd worden door religie maar ook zelf vormgeven aan die religie en daarbij op basis van hun specifieke ervaringen accenten leggen, is blijkbaar geen vanzelfsprekendheid’ (Buitelaar, 2003, p. II). Een dergelijke blinde vlek signaleert Buitelaar overigens niet alleen bij niet-moslims, maar ook bij moslims zelf. Volgens haar blijven de publieke discussies tussen moslims onderling vaak steken in welles-nietesdebatten, zoals over de vraag of de islamitische wet wel of geen ruimte biedt aan de emancipatie van vrouwen en homoseksualiteit. Ze vermoedt dat het de discussie over de betekenis van de islam in de moderne tijd ten goede zou komen als die ook zou gaan over wat voor individuele moslims de overgave aan God (dat is de letterlijke betekenis van het woord islam) betekent. Zelf schetst Buitelaar in haar lezing een viertal boeiende portretten van tweede-generatie moslimvrouwen van Marokkaanse afkomst. De zeer uiteenlopende praktische en spirituele invulling die deze vrouwen geven aan hun geloof ondergraaft de beeldvorming van ‘de islam’ als een monolithisch blok volledig. Bovendien maken de portretten duidelijk hoezeer er sprake is van een toe-eigening van religieus erfgoed, en niet van een simpele onderwerping eraan. Gelukkig zijn er nog vele andere publicaties waarin de diversiteit en eigenheid in het gelovige zelfverstaan van Nederlandse moslima’s zorgvuldig onderzocht en gepresenteerd worden. Ik kan alleen al verwijzen naar twee artikelen in het laatste nummer van Gender (Bartels, 2003; Van Nieuwkerk, 2003). En ik ben heel benieuwd naar de Gesluierde monologen, de islamitische variant op de Vagina monologen. Deze theaterproductie is gebaseerd op gesprekken die regisseuse Adelheid Roosen had met zo’n zestig vrouwen met een islamitische achtergrond. Roosen sprak met vrouwen die veelal onzichtbaar zijn, letterlijk achter een sluier of hoofddoek verborgen, of figuurlijk, omdat ze thuis zitten, in een isolement. Toch viel het Roosen op hoe open de vrouwen onderling vaak praten over lichamelijkheid en seksualiteit. In haar eigen motivatie om deze productie te maken, speelt het verlangen naar openheid ook belangrijke rol, openheid voor de ander: ‘Wij wonen in Nederland met een miljoen moslims. Maar de angst voor het vreemde is hier doorgaans groter dan de wens te ontmoeten. In de media gaat het vooral over: jij moet Nederlands leren, wij maken jou tot een goede Nederlander. Maar wij nemen niets van hen terug. Wij zouden kunnen zeggen: mag ik leren van jouw kookkunst, mag ik jouw geuren ruiken, kun jij me iets vertellen over de schoonheid van je religie? Als je iets van iemand aanneemt, geef je hem waardigheid’ (Janssen, 2003). Over de motivatie van de makers van de curieuze fotoreportage in Volkskrant Magazine van 25 oktober 2003 tast ik in het duister. Onder de titel ‘Mooie meiden’ worden drie jonge vrouwen van Marokkaanse afkomst maar geboren en getogen in Nederland gefotografeerd. Hun moeders dragen geen hoofddoek. Zíj dragen alle drie een niqaab, een volledige, lange sluier, waarbij alleen de ogen nog zichtbaar zijn3. ‘Ik studeerde, was altijd modieus gekleed, ging naar de zonnebank, en leidde een leven als elk ander Westers meisje. Nu ben ik aan de buitenkant volmaakt’, legt een van de vrouwen in het magazine uit. En verder: ‘Je hoeft niet bloot te zijn om mooi te zijn.’ En inderdaad, als foto leveren deze vrouwen in ieder geval een paar prachtige beelden. Twee zwarte schimmen op een brommertje, glanzende zwarte gedaanten in een soort dans van de nacht, en als hoogtepunt een majestueuze zwart-paarse verschijning met mobieltje en bankpasje. De vrouwen komen enorm zelfbewust over, en haast geraffineerd in hun esthetische enscenering door de fotografen. Als religie maar sexy en smaakvol is. Sexy met een bite deze keer. Paradoxaal genoeg worden deze jonge vrouwen in hun zelfgekozen totaalbedekking tegelijkertijd tot een belichaamde metafoor van de islam als een vreemd en ondoordringbaar fenomeen. En dan zijn we weer waar ik vind dat we niet moeten wezen: bij een visie op religieuze tradities als afgesloten waarheid in plaats van als een pluriform en dynamisch geheel van zingevende en identiteitsvormende verhalen en praktijken. Middenpaneel: kritische toe-eigening Waar zouden we dan wel kunnen wezen? Op het derde paneel van dit drieluik schets ik een laatste perspectief op religie in Nederland. Hierin switch ik van de cultuurkritiek op beeldvorming over religie naar een bespreking van een tweetal religieus-culturele praktijken van vrouwen in Nederland. Op het eerste paneel zagen we de comeback van de spiritualiteit, het verlangen naar heelheid en de esthetische glans die over dit verlangen ligt. Bij het middenstuk werd onze aandacht gevestigd op de publieke beeldvorming over moslima’s. In beide gevallen zagen we vrouwen primair verschijnen als belichaming van een bepaald beeld over religie: als smaakvol, sexy en bezield in de zoektocht naar spirituele vernieuwing respectievelijk als al dan niet geëmancipeerde textieldraagster in het debat over de islam. Op dit laatste paneel geef ik een tweetal actuele voorbeelden van de creatieve toe-eigening door vrouwen van de religieuze traditie waarmee ikzelf het meest bekend ben, de christelijke. Ik vind het interessante voorbeelden, omdat hierin naast wat de comfort functie van religie wordt genoemd ook iets tot uitdrukking komt van de challenge functie van religie. Met de comfort functie wordt bedoeld dat religie mensen goed doet en hen helpt met de verwerking van negatieve ervaringen. Het culturele aspect is hierbij een belangrijk voertuig. De challenge functie verwijst naar het kritische vermogen van religie, dat mensen uitdaagt om veilige denk- en handelingspatronen te doorbreken.4 De ‘comfort’ functie wordt treffend samengevat door de eindredacteur van IKON LIVE, een televisiemagazine op zondagmiddag: ‘Religie is een manier om te kunnen omgaan met de tragiek van het bestaan. Ze reikt ons woorden als vertrouwen, vergeving, troost en compassie aan en geeft ons verbeeldingskracht om het alledaagse bestaan te overstijgen.Voor mij is religie stoffering van de ziel’ (Halma, 2002). Ik vind dit een mooi beeld: religie als stoffering van de ziel, als een warm kleed tegen kou en naaktheid. En ik kan de grote waarde van deze functie van religie beamen. Toch maakt het ook een zekere balorigheid in me wakker: zou religie momenteel, zo vraag ik me af, ook nog invloed kunnen hebben als ‘challenge’, als een frisse wind die de ziel eerder prikkelt dan beschermt? In de twee voorbeelden waarover ik wat wil vertellen wordt wel degelijk iets zichtbaar van de uitdagende functie die religie ook kan hebben. Het eerste voorbeeld speelt zich af op het niveau van het debat, het tweede op het niveau van het dagelijks leven. Voor het eerste duiken we in het vat vol tegenstrijdigheden dat de rooms-katholieke kerk van Nederland is. Daarin treffen we de berichtgeving aan rond het geregistreerde partnerschap dat de priester en kerkjurist R. Huysmans met een Nederlandse theologe heeft gesloten. Dit partnerschap is een doorn in het oog van de bisschop van Rotterdam. Hij heeft een kerkelijk strafproces tegen Huysmans geopend, met als inzet zijn suspensie, dat wil zeggen zijn schorsing als priester, als hij weigert het partnerschap te laten ontbinden. Een ANP-bericht van 14 september maakt gewag van een open brief, geschreven door een groep gehuwde en ongehuwde priesters. Zij noemen de handelwijze van de bisschop ‘hard en harteloos’ en ‘in strijd met alles wat begripvol en menselijk is’. De brief is sympathiek, maar in mijn ogen nogal krachteloos vanwege zijn louter humanistische insteek. Een andere aanpak is terug te vinden in het persbericht dat enige dagen daarna werd verstuurd door het IWFT Vrouwennetwerk Theologie, een oecumenisch netwerk dat al 25 jaar bestaat5: ‘Het IWFT Vrouwennetwerk Theologie spreekt zijn verbazing uit over het
feit dat de in onze huidige samenleving mogelijk gemaakte
partnerschapsregistratie niet (…) van harte verwelkomd wordt. Liggen hier
niet kansen de samenleving - over wier gebrek aan zorg en
verantwoordelijkheid voor elkaar alom wordt geklaagd - bekend te maken met
de traditie van de kerk op het gebied van alternatieve verbintenissen? De in
gang gezette beweging weg van het alleenrecht van het heteroseksuele
huwelijk boort alle variabelen aan waar nu juist de kerk met haar rijke
traditie van klooster- en gemeenschapsleven weet van heeft. Naar onze
overtuiging worden hier kansen gemist de samenleving voor te leven hoe
mensen zich - ook op niet-romantische basis - kunnen verplichten tot
wederzijdse zorg.’ Vindingrijk en met fijnzinnige ironie hanteert het Vrouwennetwerk een tweesnijdend zwaard. Aan de ene kant wordt kritiek uitgeoefend op de starre politiek van de kerk ten aanzien van huwelijk en celibaat. Tegelijk gebeurt dit op zo’n manier dat de bepaald niet eenvormige geschiedenis van diezelfde kerk wordt ingezet als actuele maatschappijkritiek. Ik vind het een mooi voorbeeld van kritische toe-eigening van de eigen geloofstraditie. Een heel andere vorm van toe-eigening gebeurt in het Vrouwen Ontmoetings Project (VOP) in Utrecht, een onderdeel van de Interkerkelijke Stichting Kerken en Buitenlanders. Het leidmotief van het VOP is de ontmoeting en het bevorderen van onderling respect en begrip. Het gaat niet om een officiële ‘interreligieuze dialoog’, waarbij nieuwsgierige hoogopgeleide Nederlanders en ongeschoolde Turkse en Marokkaanse mannen in ongemakkelijke sessies bij elkaar zitten in het wijkcentrum. Het VOP speelt zich af op het niveau van het dagelijks leven. Het is er enerzijds voor vrouwen van Turkse en Marokkaanse afkomst, veelal analfabeet, die hun huis nauwelijks uitkomen en voor de samenleving ‘onzichtbaar’ zijn. Tegelijkertijd is het er voor iedere Nederlands sprekende vrouw die zin heeft de ontmoeting aan te gaan. Het kruispunt is de Nederlandse taalles bij de vrouw van buitenlandse afkomst thuis. Inmiddels zijn er 200 Nederlandse vrouwen die wekelijks 250 tot 300 Turkse of Marokkaanse vrouwen ontmoeten. De Nederlandse vrouwen zijn parttime werknemer, huisvrouw, studente of gepensioneerde non. Veel van deze vrijwilligsters zijn niet of niet meer kerkelijk. Toch zijn de activiteiten van het VOP en de interkerkelijke stichting waar het deel van uitmaakt religieus gemotiveerd. Juist deze motivatie, het geloof in een niet-particuliere God die liefde is, maakt dat ze geen enkele behoefte hebben moslims tot het christelijk geloof te bekeren. Hun missie is niet zieltjes te winnen maar op die plaatsen in de samenleving present te zijn waar mensen in het nauw gedreven zijn. Het uitgangspunt is dat men elkaar leert kennen in ieders eigenheid. In de voorbereidingscursus voor de taallessen en in het nieuwsblad van de stichting wordt dan ook veel aandacht besteed aan kennis over de islam en informatie over de landen van herkomst van de lesneemsters. In een toespraak op de conferentie ’Women in mission’ van de Wereldraad van Kerken afgelopen juni legt de oprichtster van het VOP, Paulien Rozema, uit dat de stichting een nieuwe vorm van kerk wil zijn (Rozema, 2003). Ze probeert aanwezig zijn op plaatsen waar de kerk is verdwenen, om te leven met mensen die niet bepaald welkom zijn in de Nederlandse samenleving. Een flinke klus, zegt Rozema: ‘Onze nieuwe Nederlandse land- en stadgenoten hebben een totaal andere achtergrond en het vraagt om reflectie, interesse, een open oor naar elkaar toe en een lange adem om bondgenoten te kunnen worden in plaats van vijanden’. Sexy is het allemaal niet, en publicitair bepaald onaantrekkelijk in deze tijd waarin het politiek correct is om te stellen dat de integratie is mislukt. We zijn ver af van de ‘talloze leuke en inspirerende activiteiten op het gebied van spiritualiteit, schoonheid, kunst en inspiratie’ die hedendaagse zinzoekers elders geboden worden. Wel mag het VOP-project volgens mij als bezielend praktijkvoorbeeld gelden bij de nieuwe taak die hoogleraar politieke theorie Jos de Beus ziet weggelegd voor links. De Beus schreef een interessant artikel over de grote leegte van links op dit moment in de Nederlandse en West-Europese politiek. Het ontbreekt de partijen aan beginsel, toekomstbeeld en hartstocht. Hij meent dat de enige remedie tegen deze malaise is dat links de verzoening en overwinning van het conflict tussen niet-westerse buitenlanders en de inheemse bevolking als een nieuwe sociale kwestie verdedigt. (De Beus, 2003). De meest principiële stap hierin is ‘versterking van de eilanden van gemeenschapszin in een oceaan van scheiding’, zoals in de gemengde stadsdelen. Links, stelt De Beus terecht, moet de ‘hoge cultuur van de ontmoeting propageren tegen de lage cultuur van de vermijding in.’ Het aardige is natuurlijk dat de vrouwen van het VOP de ontmoeting niet alleen propageren maar vooral allang doen. ‘Door het VOP is onze wereld groter geworden’, luidt een uitspraak op de website. Een uitbreiding van het blikveld die niet alleen voor de Turkse en Marokkaanse vrouwen geldt maar evenzeer voor de Nederlandse. Dat het religieuze in de ontmoeting niet alleen een blokkerende maar ook een motiverende factor kan zijn, zou niet alleen bij links, maar ook bij het feminisme op meer politieke en intellectuele nieuwsgierigheid moeten kunnen rekenen. Noten 1. Een goed voorbeeld is de documentaire ‘Sluiergevecht’, die in het programma Factor werd uitgezonden door de IKON televisie, 19 augustus 2003. De kwestie van ‘Sluiergevecht’ werd geïntroduceerd als: ‘Is de islam steun of belemmering bij de bewustwording van migrantenvrouwen? Met de sluier als uitgangspunt onderzoekt Factor de emancipatie van migrantenvrouwen.’ Ik heb de mooie titel opgevat als een contaminatie van ‘sluierdans’ en ‘schijngevecht’. Ondanks de goede bedoelingen overheerste het schijngevecht in de documentaire: het afleggen van de sluiers had duidelijk de meeste sympathie. Twee van de drie vrouwen die werden geïnterviewd, waren op grond van overtuiging en ervaringen, radicaal tegen elke vorm van religie. De derde, ‘de enige hoofddoekdragende advocate van Nederland’ , was islamitisch èn op haar eigen manier geëmancipeerd. De kijker kwam echter nauwelijks iets meer te weten over haar (positieve) ervaringen met de islam. 2. Zie voor verdere uitwerking van deze visie op religie vanuit een feministisch multicultureel perspectief Mulder (2002) en Kalsky (2003). 3. Om misverstanden te voorkomen, zij zijn niet de leerlingen van het ROC in Amsterdam, die eerder dit jaar hun school hebben aangeklaagd bij de Commissie Gelijke Behandeling vanwege een niqaab-verbod. 4. Ik ontleen deze begrippen aan H. Zondag, J. Sanders & L. Spruit (2003), p.76. 5. Zie over het IWFT Vrouwennetwerk Theologie Droës 2001. Literatuur Bartels, E. (2003). ‘Eerlijkheid in je geloof en op school’. Meisjes, islamitische leefregels en voortgezet onderwijs. Tijdschrift voor Genderstudies 6 (3), 21-32. Beus, J. de (2003). De onuitstaanbare leegte van links. De Volkskrant 20 september, p. 14. Buitelaar, M. (2003). ‘Ik was verliefd op Jezus’. Fier, 6 (1), II-VIII. Droës, F. e.a. (red.) (2001). Met passie en verbeelding. IWFT Vrouwennetwerk Theologie 25 jaar, een terugblik met handreikingen naar de toekomst. Gorinchem/Utrecht: Narratio/IWFT. Halma, P. (2003). Religie als stoffering van de ziel. Interview met Ida Overdijk. Ikonkrant 21 (5), p. 2. Janssen, H. (2003) Ze praten soms in pure poëzie over het liefdesspel. Interview met Adelheid Roosen. De Volkskrant 8 december, p. 14. Jungmann, B. (2003). Overspannen rust. De Volkskrant 14 oktober, p. 9. Karimi, F. (2003). De onmogelijke positie van islamitische vrouwen. Lover, 30 (3), 14-15. Kalsky, M. (2003). Vreemd-gaan als deugd. Gedachten over ‘de vreemde’ in postkoloniaal perspectief. In M. Kalsky, B. Leijnse, L. Oosterveen (red.), Het heil op de hielen. Over de belofte van het onvervulde leven (pp. 95-113). Zoetermeer: Meinema. Mulder, A.-C. (2002). (Over) ‘God’ spreken in een multiculturele samenleving. Tijdschrift voor Genderstudies, 5 (3), 48-55. Nekuee, S. (2003). Islamofobie brengt land in extase. De Volkskrant 21 oktober, p. 7. Nieuwkerk, K. van (2003). Multiculturaliteit, islam en gender. Visies van Nederlandse nieuwe moslima’s. Tijdschrift voor Genderstudies 6 (3), 6-20. Rozema, P. (2003). Presentatie op Women in Mission, conferentie van de Wereldraad van Kerken, 4-10 juni 2003 te Genève. Te vinden op www.iskb.nl. Werkgroep Nieuwe Religieuze Bewegingen (2000). Hunkering naar heelheid. Het nieuw-religieuze verlangen naar een authentiek bestaan. ’s-Hertogenbosch: Katholieke Raad voor Kerk en Samenleving. Zondag, H., J. Sanders & L. Spruit (2003). Nieuwe impulsen aan het pastoraat. KASKI rapport 498. Nijmegen: KASKI.
|
Dominicaans Studiecentrum |
|
| © DSTS 2005 |
home | wat is het dsts? | onderzoeksproject | medewerkers publicaties | studiedagen | organisatie | links |