![]() |
![]() |
|
Godsdienstvrijheid met januskopGert J. PeelenVrijheid komt in twee gedaantes tot ons. Zo is er de passieve vrijheid, van dwang bijvoorbeeld en van onderdrukking, die een andere is dan de actieve variant, zoals de vrijheid te doen en te laten wat men wil. In principe zijn zij afzonderlijk verkrijgbaar, al bestaat er een natuurlijk verband tussen beide. De ruimte van de tweede variant, de ‘vrijheid tot’, is aan beperkingen onderhevig waar de eerste, de ‘vrijheid van’, ontbreekt. Maar ook het omgekeerde is denkbaar. Zo kan iemand die zijn vrijheid van handelen optimaal wenst te benutten, de passieve én actieve vrijheid van een ander in gevaar brengen. Wie Vrijheid van godsdienst, de pamflettistische bundel van journalist Michiel Hegener, opslaat, heeft al snel in de gaten dat het de auteur om de realiteit van het laatstgenoemde risico te doen is. Godsdienstvrijheid draagt een januskop, zo blijkt. Met de passieve vrijheid van godsdienst, geregeld in artikel 6 van de Grondwet, is het dik in orde. De overheid bemoeit zich qua inhoud noch qua praktijk met de godsdienstige overtuiging en de geloofsbeleving van haar burgers. Zij zijn daarin volkomen vrij, behoudens, uiteraard, hun verantwoordelijkheid voor de wet. Maar die maximale terughoudendheid van overheidswege heeft een keerzijde. Want zij laat gelovigen bijgevolg vrij om actief, en nota bene met een beroep op diezelfde godsdienstvrijheid, de vrijheid van anderen te belemmeren. En dat nu is de auteur een doorn in het oog. De overheid moet niet alleen de verticale godsdienstvrijheid garanderen, vindt hij, maar ook de horizontale, die tussen burgers onderling, in de gaten houden en waar nodig reguleren. Op het eerste gezicht lijkt de analyse helder en overtuigend. Gelovige ouders lijven hun kinderen direct na de geboorte ongevraagd in bij de eigen kerk of godsdienst (alleen doopsgezinden, die de kinderdoop principieel afwijzen, vormen hierop een uitzondering) en voeden ze op in de zekerheden van de bijbehorende overtuiging. En als die kinderen eenmaal volwassen zijn, kost het hun bijzonder veel moeite en pijn om zichzelf los te weken uit het geloof der vaderen. Daar zijn schrijnende gevallen van bekend, weet Hegener, die het literaire werk van de orthodox-protestants opgevoede Jan Wolkers en Maarten ’t Hart als getuigenverklaringen opvoert, maar er gemakshalve aan voorbijgaat dat die traumatische jeugd voor deze twee uiteindelijk wel heel profijtelijk is gebleken. Die laatste kanttekening is misschien wat te gemakkelijk. Want met de constatering dat in veel islamitische landen op het verlaten van de staatsgodsdienst de doodstraf staat, lijkt Hegener beslist een punt te hebben. Hoewel die onvrijheid zich buiten de jurisdictie van de Nederlandse Grondwet afspeelt, kan zoiets ook nadelige gevolgen hebben voor in Nederland woonachtige, afvallige moslims, bijvoorbeeld als zij terugkeren naar hun geboorteland. Maar veel verder dan de verwerpelijke onvrijheden die de fundamentalistische varianten van de islam en – toegegeven – ook die van het ultra-orthodoxe protestantisme kenmerken, reikt de bewijsvoering van Hegener niet. De overige godsdiensten en geloofsovertuigingen blijken bij nader inzien en in vergelijking met dit soort fundamentalistische uitwassen toonbeelden van tolerantie en verdraagzaamheid. Dat zal ongetwijfeld typisch Nederlands zijn – want mede de vrucht van de multireligiositeit die ons land sinds eeuwen heeft gekenmerkt –, maar het neemt niet weg dat het met de onvrijheid van godsdienst dus nog wel meevalt. Tamelijk potsierlijk zijn daarom de oplossingen van straf- en civielrechtelijke aard, die Hegener serieus ter overweging voordraagt. Hetzelfde geldt voor de handleiding die hij ouders zou willen meegeven om hun kinderen in volle godsdienstvrijheid op te voeden, opdat deze, eenmaal volwassen, zelf een geloof kunnen kiezen. Hegener verliest een aantal zaken uit het oog. Bijvoorbeeld het feit dat godsdienst haast per definitie een sociaal verschijnsel is, dat doorgaans op een gemeenschappelijk gedeelde overtuiging is gebaseerd. Zo’n overtuiging leeft voort bij de gratie van het feit dat ook anderen zich blijkbaar door de subjectief ervaren geloofwaardigheid ervan laten overtuigen. Het kan dan ook niet anders dan dat ouders hun kinderen opvoeden in de lijn van wat zij zelf als goed en waar beleven. Heel vervelend wellicht, maar die eigenschap heeft de godsdienst dan gemeen met iedere andere overtuiging van ideologische aard, of het nu om een politieke gezindte of om de liefde voor een voetbalclub gaat. De kans dat een jongen in een voetbalminnend gezin te Rotterdam-Zuid in volle vrijheid uitgroeit tot een fanatieke Ajax-aanhanger, moet buitengewoon gering worden geacht. Om daar de door Nederland geratificeerde mensenrechtenverdragen tegen in stelling te willen brengen, is schieten met een kanon op een mug. Hoe groot de vrijheid in ons land in werkelijkheid is om een religieuze overtuiging creatief en geheel naar eigen inzicht te kneden tot een persoonlijk gekleurde, authentieke levensbeschouwing, wordt fraai geïllustreerd in de bundel Moderne devoties. Daarin vertelt een veertiental in het publieke leven opererende vrouwen openhartig over hun hoogst persoonlijke wijze van omgaan met de religie die zij voor het merendeel van huis uit hebben meegekregen. In hun inspirerende, blijmoedig zelfbewust getoonzette bundel geen spoor van wrok om een traumatiserende jeugd, geen apodictische uitspraken over die ene Waarheid, en vooral ook geen verlichtingsfundamentalistische verwerping van al wat naar religie riekt. ‘Hun geloof is hun wel dierbaar, maar niet heilig’, schrijven de samenstelsters in het woord vooraf. Opmerkelijk in het licht van Hegeners veronderstelde onvrijheid is dat dit ook, en misschien zelfs bij uitstek, opgaat voor de vier islamitisch opgevoede vrouwen in het gezelschap. Zoals voor het uit Marokko afkomstige Groen-Linkse Tweede-Kamerlid Naïma Azough. Dankzij haar liefde voor het lezen rees in haar jeugd als vanzelf de twijfel over de vanzelfsprekendheid van haar geloof. Als ‘een islamitische agnost’ begon zij haar eigen zoektocht, die ten slotte uitmondde in het voorzichtig genomen besluit weer moslim te mogen zijn. ‘Eindelijk’, schrijft zij, ‘kon ik mijn behoefte aan spirituele zingeving verenigen met mijn drang naar vrijheid en onbeperkte ontplooiing.’ De van oorsprong Turkse bladenmaakster Senay Özdemir vertelt dat haar in haar jeugd niets is opgedrongen en dat ook zij in haar westerse leven de kans heeft gegrepen om de islam met haar persoonlijke opvattingen te verweven. Dat heeft zij dan gemeen met Tamarah Benima, die het joodse geloof vormgeeft met soefistische technieken (‘Ik zie godsdiensten als talen, of liever nog: als muzikale talen’), met de katholiek opgevoede Désanne van Brederode (‘Het geloven houdt op als ik stellig weet waarin’) en de van huis uit protestantse Annemiek Schrijver (‘De zin van het leven is leven. Niet een laffe belofte erna’). Moderne devoties – de titel is een knipoog naar de gelijknamige religieuze beweging uit de 14de eeuw, die een verinnerlijkt, praktisch geloof propageerde – bewijst niet alleen dat de vraag naar zin en betekenis blijkbaar onuitroeibaar is, maar ook dat de vrijheid om daarop zelf een antwoord te formuleren groter is dan ooit. Die vrijheid, toont de bundel aan, gaat vooralsnog vooral als vrouw gekleed. Manuela Kalsky, Ida Overdijk, Inez van der Spek (red.): Moderne devoties – Vrouwen over geloven. De Prom; 192 pagina’s; € 15,95. ISBN 90 6801 082 4. Michiel Hegener: Vrijheid van godsdienst. Contact; 208 pagina’s; € 14,90. ISBN 90 254 2571 2.
|
Dominicaans Studiecentrum |
|
| © DSTS 2005 |
home | wat is het dsts? | onderzoeksproject | medewerkers publicaties | studiedagen | organisatie | links |