![]() |
![]() |
|
|
Theo W.A. de Wit Op zoek naar een nieuw ‘wij’? Inleiding gehouden op het gelijknamige symposium op 15 maart 2008 te Nijmegen
Hebben wij een nieuw ‘wij’ nodig? Die vraag gaat natuurlijk vooraf aan de zoektocht die u door de organisatoren van vandaag beloofd is. De achtergrond van die voorgestelde zoektocht lijkt te zijn dat er momenteel niet meer of niet voldoende collectieve identiteit bestaat, of minstens dat er verwarring en onenigheid is over de aard, de kenmerken of de ‘waarden en normen’ van de politieke eenheid die met de naam ‘Nederland’ wordt aangeduid. Ik vertel geen geheim als ik vaststel dat deze verwarring en onenigheid niet los gezien kunnen worden van de politieke turbulentie de afgelopen jaren rond het zogeheten integratiedebat - politieke onrust die ons land ook in het buitenland in de schijnwerpers heeft geplaatst. Een manier om erachter te komen hoe de definiëring van het ‘wij’ onderdeel is van de onenigheid, is aan de diverse posities in het strijdperk de even eenvoudige als centrale vraag voor te leggen, wat het einddoel is, het finis ultimus van het proces van integratie en van het integratiebeleid, waarvan de noodzaak door geen enkele politieke stroming wordt bestreden. Wanneer is de integratie voltooid, wanneer is het genoeg geweest? Die weg zal ik hier volgen. Welnu, in dit land waren er de laatste twee decennia vijf politiek-filosofische antwoorden (of combinaties daarvan) beschikbaar op deze vraag. De laatste paar jaar valt er zelfs nog een zesde antwoord te ontwaren.1 Zoals ik zal laten zien, impliceren zij tevens een antwoord op de vraag naar de aard van de politieke eenheid die wordt beoogd, dus naar de contouren van het ‘wij’ dat in het verschiet ligt of moet worden verdedigd. Ik zal deze antwoorden hier presenteren in hun pregnante, polemische vorm, want dan wordt ook hun schaduwzijde zichtbaar.
Vijf definities van een nieuw ‘wij’ Een eerste antwoord luidt, dat integratie geen eenzijdig proces is, maar dat Nederlanders samen met de migranten en hun kinderen op weg zijn naar een nieuwe, ‘multiculturele’ samenleving. Integratie is geslaagd als die samenleving gezamenlijk wordt vormgegeven. Het ‘wij’ is een project van de toekomst, gedragen door ingezetenen en nieuwkomers gezamelijk op basis van gelijkheid. Binnen dit antwoord zijn het ‘recht op verschil’ en ‘diversiteit’ belangrijke beginselen, die zich polemisch verhouden tot de asymmetrische eis tot aanpassing en assimilatie van nieuwkomers. Nog onlangs leek de Turkse premier Erdogan zich tot dit model te bekennen, toen hij tijdens zijn bezoek aan de Duitse Bondsrepubliek de eis tot assimilatie een ‘misdaad tegen de mensheid’ noemde. Een tweede antwoord benadrukt dat migranten en nieuwkomers net als de Nederlanders de universeel geldige mensenrechten moeten eerbiedigen. Integratie is dan geslaagd wanneer iedereen zowel in eigen kring als in de omgang met mensen daarbuiten de mensenrechten respecteert. Hier staat een in potentie universalistisch en kosmopolitisch ‘wij’ tegenover die vormen van (cultureel, nationaal of religieus) particularisme die nog niet in overeenstemming zijn met de mensenrechten of deze overeenstemming weigeren. In deze visie zijn wij (‘wij mensen’) allemaal wereldburgers, of zijn op weg om dat te worden. Een derde, meer pragmatisch antwoord beschouwd de integratie als geslaagd wanneer de nieuwkomers goede schoolprestaties hebben behaald en succesvol zijn op de arbeidsmarkt. Nederland, hier primair opgevat als een succesvolle, concurrerende economie en onderdeel van het economisch globaliseringsproces, definieert hier het ‘wij’ (‘wij, BV-Nederland’) dat wordt beoogd en gehandhaafd. Binnen dit vocabulaire worden de zogenaamde ‘succesvolle allochtonen’ ten voorbeeld gesteld aan de loosers op school en op de arbeidsmarkt. Ik heb de laatste jaren verschillende integratiefora meegemaakt waar een strak in het pak zittende Marokkaanse of Turkse ondernemer met een brede glimlach zijn successen mocht uitventen ten overstaan van de aanwezigen. Een vierde antwoord benadrukt dat migranten en nieuwkomers ‘moderner’ moeten worden. Hier geldt de integratie als geslaagd als dezen gaan lijken op seculier en ‘verlicht’ denkende westerse burgers. Seculiere burgers worden hier polemisch afgezet tegen en ten voorbeeld gesteld aan mensen met vermeend ‘fundamentalistische’, traditioneel-godsdienstige, etnische en ‘tribale’ loyaliteiten. Vaak houden die seculiere burgers er impliciet of expliciet de volgende vooruitgangsideologie op na: eerst zijn mensen orthodoxe gelovigen, dan vrijzinnig, om te eindigen ‘net als wij’, als verlichte atheïsten. Niet toevallig is ‘Ayaan’ hun held, die dit traject niet in enkele eeuwen, maar in enkele jaren aflegde. Het universele ‘wij’ van de toekomst is in dit antwoord de eindelijk volwassen geworden en dus a-religieuze mensheid. Religieuze loyaliteiten kunnen in dit model hoogstens in de privé-sfeer gedoogd worden, in de verwachting dat ze daar vanzelf wegdeemsteren. Het vijfde antwoord luidt dat migranten moeten assimileren in de Nederlandse cultuur. Integratie is geslaagd in de mate waarin migranten niet alleen kennisnemen van de Nederlandse cultuur en de vaderlandse geschiedenis, maar zich ook identificeren met Nederlandse gewoontes, gevoeligheden en overgevoeligheden. Het ‘wij’ is hier de nationale staat Nederland met zijn nationale cultuur en historische erfenissen. Uiteraard zijn de meeste praktisch-politieke beleidsvoorstellen in Nederland combinaties van deze vijf antwoorden, die ik hier met opzet in strijdkostuum heb gepresenteerd. In deze vorm bevatten ze volgens mij binnen een sociaal-ethische en politiek-filosofische beoordeling naar hun praktische consequenties allemaal zowel bruikbare elementen maar ook onrealistische en inhumane aspecten. Welnu, de politieke en maatschappelijke turbulentie van de afgelopen tien jaar kan worden samengevat in de constatering, dat er vooral de laatste zes of zeven jaar in ons land een snelle verschuiving heeft plaatsgevonden van de eerste naar de laatste paar antwoorden.
En een zesde antwoord... Zoals gezegd valt er sinds kort zelfs nog een zesde antwoord te ontwaren. Dat antwoord is in een aantal opzichten een radicalisering van de modellen vier en vijf, maar breekt hiermee ook op een beslissend punt. Vanwege de onmiddellijke actualiteit zal ik er iets dieper op ingaan. Op het voorstel van de leider van een volgens de peilingen inmiddels middelgrote politieke partij om de Koran in Nederland te verbieden en ‘in de prullenbak te mieteren’ is in binnen- en buitenland aanvankelijk soms lacherig, soms verbaasd en ook wel ontsteld gereageerd. Toch is het weerwoord in het parlement op Geert Wilders’ uitlatingen, bijvoorbeeld over de vergelijkbaarheid van de Koran en Mein Kampf, eerder timide te noemen en soms ronduit zwak. Zo meende de woordvoerster van de SP Krista van Velzen niet zo lang geleden te kunnen volstaan met de stelling dat de Partij voor de Vrijheid inmiddels beter de Partij tégen de Vrijheid genoemd kan worden. Daarmee gaf zij te kennen weinig te begrijpen van de bijzondere logica van Wilders’ betoogtrant. Dat is de logica van de politieke noodtoestand, waarin de vrijheid ‘gered’ moet worden door haar tijdelijk op te schorten of te ontzeggen aan een groepering of partij die geacht wordt de vrijheidsorde te bedreigen. Wilders solliciteerde de laatste tijd naar de heldenrol van redder in de nood die als een soort Nederlandse Jaruzelski het vaderland met desnoods onorthodoxe maatregelen komt bevrijden van de hydra van de Islam. Zo’n wereldbeeld moet echter niet alleen door bijdragen in het blad Opinio maar ook door werkelijke, liefst bloedige gebeurtenissen gevoed worden wil het enigszins plausibel worden. Vandaar de permanente en steeds scherper wordende provocaties aan het adres van Nederlandse moslims: die moeten als een self-fulfilling prophecy de ‘afgrond’ die Wilders voortdurend bezweert naderbij brengen. De laatste sweken zijn er echter tekenen dat Wilders dit sprookjesachtige scenario aan het opgeven is en terugkeert naar de politieke werkelijkheidszin. De belangrijkste reden waarom dit antwoord wel degelijk een breuk is met al de andere antwoorden is het feit dat hier de godsdienstvrijheid openlijk wordt aangevallen. Welnu, de afschaffing van de godsdienstvrijheid is slechts mogelijk wanneer men de vrijheid om zelf een religie of levensbeschouwing te kiezen of trouw te blijven aan die van je ouders vervangt door een staatswaarheid die andersdenkende burgers beschouwt en behandelt als dwalende dissidenten en staatsvijanden. Op dit punt haakt zelfs Afshin Ellian, de columnist die Wilders opvattingen over de Islam voor tachtig procent onderschrijft, af. Wanneer Wilders de godsdienstige neutraliteit van de staat wil opheffen door de godsdienstvrijheid af te schaffen, zo schreef hij enkele maanden geleden, toont hij zich ‘een gelovige Europeaan die precies weet wat het ware geloof is’. Ellian noemt dat ‘terug naar de Middeleeuwen’, maar met de Middeleeuwen heeft dit alles niets te maken; het gaat hier eerder om een nieuwe gestalte van een totalitair waarheidsregime, zoals onze ouders en voorouders die in de twintigste eeuw verschillende hebben meegemaakt.2 (Tussen haakjes: dat een hoogleraar in de rechtstheorie het verschil tussen een middeleeuws en een modern totalitair regime niet meer kent vervult mij met plaatsvervangende schaamte.) Het ‘wij’ dat door de PVV wordt voorgesteld is dan gefundeerd in een gezamelijke waarheid die vooraf gaat aan de Grondwet en die ook méér is dan de (altijd contingente) meerderheidscultuur (Leitkultur). Maar de intrigerende vraag blijft, of dit ‘wij’ nu te danken is aan een vijand met scherpe contouren (de Islam), dan wel of het hier gaat om een substantieel ‘wij’ dat van nature onverenigbaar is met een andere collectiviteit. Deze vraag werd ook in nazi-Duitsland door critici van het nationaal-socialisme opgeworpen: zijn de Führer en zijn volk in nationaal-socialistisch Duitsland nu hecht verbonden in eenzelfde natuurlijke homogeniteit (het Arische ras), of kan wat een ‘Ariër’ is slechts worden bepaald door het feit dat iemand geen niet-Ariër is? Karl Löwith, een scherp criticus van de nationaal-socialistische ideologie, beantwoordt de vraag duidelijk in de tweede zin: het krachtige Duitse ‘wij’ werd destijds mogelijk gemaakt door de louter polemische afgrenzing tegen een Artfremde vijand. Met betrekking tot de PVV, maar ook over andere voorstanders van een krachtig nieuw ‘wij’ zoals de beweging van Rita Verdonk, dient dan ook de volgende vraag gesteld te worden. Is de nationale identiteit die ons moet verenigen nu gefundeerd: 1) in een quasi-natuurlijke eenheid, 2) of moeten moslims of zelfs ‘allochtonen’ in het algemeen ons een identiteit verschaffen die wij anders zouden ontberen, zodat onze identiteit er vooral in bestaat dat wij in elk geval géén moslims zijn? 3) Of heeft zij het karakter van een contingente en begrensde eigenheid die nu eenmaal niet overal compatibel mee is en dus ook vreemdheid (er)kent.
Laat ik het probleem dat hier speelt nog wat dichterbij proberen te halen, dichter bij Nijmegen ook. Een van de spannenste en ook wel enigszins huiveringwekkende politieke bijeenkomsten die ik in deze stad, waar ik lange tijd gewoond heb, heb meegemaakt was een door de gemeente georganiseerde inspraakavond over een nieuwe tippelzone waar de bewoners van de buurt waar de zone was gepland massaal op waren afgekomen. De discussie verliep rumoerig maar ordelijk, totdat een vrouw die de belangen van de prostituees behartigde de microfoon greep en aan de zaal de vraag voorlegde: willen alle mannen die wel eens naar de hoeren zijn geweest misschien hun vinger opsteken? Plotseling was daar een massaal, krachtig en offensief 'wij'. De vrouw moest door de ordedienst worden ontzet, anders zou ze zijn gemolesteerd. Het ‘wij’ dat hier geboren werd wenste niet alleen verschoond te blijven van de tippelzone in de wijk – daarvoor kunnen in een openbare meeting argumenten voor en tegen worden aangevoerd – maar presenteerde zich ook in andere opzichten als ‘schoon’ en zonnig; het was een ideaal ‘wij’ dat moreel zuiver op de graad is, trots is op zichzelf, een auto-erotisch wij, om zo te zeggen – dat zich dan ook furieus keerde tegen iedereen ‘van buiten’ die daar een vraagteken bij zet, zoals de vertegenwoordigster van de prostituees.
Maken wij nu even een uitstapje naar onze zuiderburen, de Vlamingen, die al langer te maken hebben met deze gestalte van de politieke collectiviteit. De Vlaams Belang-slogan ‘vreemdelingen buiten’ wijdt de maatschappelijke problemen aan een volksvreemde groep. In een opmerkelijke, enigszins hilarische analyse van deze politieke beweging die in Vlaanderen 24 procent van de stemmen krijgt heeft Gorik Ooms geprobeerd het ‘wij’ te reconstrueren dat het Vlaams Belang in positieve zin voor ogen heeft. Wanneer men alle negaties van het VB optelt (wij zijn tegen vreemdelingen, tegen criminaliteit, tegen corruptie, tegen abortus enz) is het mogelijk, het ideale ‘wij’ van het VB te schetsen. De utopie van deze beweging is ’een samenleving waar iedereen elkaar kent (het eigen volk eerst en op den duur alleen, vreemdelingen worden alleen getolereerd indien zij zich geheel aanpassen en dus geen vreemdelingen meer zijn), waar allen broeders zijn. In die samenleving lossen alle problemen zich vanzelf op. De ware leider zal zijn volk niet bedriegen, corruptie is dus uitgesloten. De volksverbonden mens zal zijn broeder niet bestelen, zo verdwijnt de criminaliteit. Kinderen van Vlaamse ouders worden in liefde verwekt, abortus komt niet meer ter sprake. In het gezin zal veel warmte en aandacht naar de kinderen gaan, daarom zal de moeder vrijwillig thuisblijven en bijgevolg verdwijnt de werkloosheid. (...) De Vlaamse jongeling zal in harmonie met zijn omgeving opgroeien en niet naar drugs verlangen. De Vlaamse werkgever zal niet louter aan zijn eigenbelang denken, hij zal samen met zijn Vlaamse werknemers bouwen aan de vooruitgang van Vlaanderen, de vakbonden worden daardoor totaal overbodig (...) De parlementaire democratie versterkt oppervlakkige onenigheden: een volk dat zijn eigen aard heeft teruggevonden, streeft naar saamhorigheid, er zal geen probleem bestaan dat niet in onderling overleg kan worden opgelost, in een volksdemocratie volstaat één enkele partij, degenen die zich in de ware partij niet kunnen terugvinden zijn het niet waard om het volk te belasten met conflicten.’3
Voor wie nu van mening is dat dat hele Vlaams Belang met zijn mierzoete utopie waarvan elk mens van vlees en bloed het spaansbenauwd krijgt een slechte Belgenmop is, keer ik weer even terug naar Nederland. Naar de beweging Trots op Nederland die Rita Verdonk onlangs begonnen is en die een mooi voorbeeld van een bepaalde versie van het vijfde antwoord in ons overzicht. Aan Verdonk werd eens de vraag voorgelegd of de moordenaar van Theo van Gogh Mohammed B. volgens alle gangbare criteria niet gewoon goed geïntegreerd was. ‘Kennelijk niet’, was haar antwoord.4 Daar zien wij de contouren van hetzelfde ‘wij’ verschijnen als waarover het VB droomt. In een gezonde samenleving, waarin iedereen vooral ook moreel en cultureel volledig is geïntegreerd, gebeuren zulke verschikkelijke dingen zoals een moord niet. Daar verloopt alles vreedzaam en harmonieus. De ‘integratie’, dat woord dat ons nu al weer een paar decennia teistert, begint hier zelf totaal en terroristisch te worden, omdat het gaat duiden op de invoeging in een quasi-natuurlijke volkseenheid waar louter broederlijkheid heerst. Een gevaarlijk volkssprookje, als u het mij vraagt. Wanneer we zo doorgaan, dan hebben we binnenkort helemaal geen islamitische vijand meer nodig, dan hebben we de nachtmerrie-achtige utopie die we aan deze vijand toeschrijven zélf gerealiseerd. Een laatste punt. In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam de Duitse jodin Hannah Arendt tot de conclusie dat ‘wanneer men als jood wordt aangevallen, men zich ook als jood moet verdedigen’, en niet bijvoorbeeld als Duitser, wereldburger of mens in het algemeen. Dat geldt vandaag ook voor de moslims, en het verklaart vermoedelijk waarom de behoefte aan maatschappelijke zichtbaarheid bij moslims eerder toe- dan afneemt. Dat bijvoorbeeld het aantal hoofddoekjes de laatste jaren toeneemt ergert natuurlijk onze liberalen, die er altijd van dromen, de religie naar de private sfeer, ‘achter de voordeur’ te verbannen. Daarbij gaan zij uit van de typisch liberaal-individualistische idee dat een religieus symbool de publieke expressie is van een innerlijke overtuiging, ja al bijna het ‘opleggen’ van deze overtuiging aan anderen. Maar zoals Rudi Visker betoogt in zijn recente boek Lof der zichtbaarheid kan men religieuze symbolen ook heel anders opvatten.5 Een religieus symbool geeft dan vooral een vorm aan een innerlijke overtuiging, en juist die zichtbaarheid en die vorm maakt die overtuiging en die innerlijkheid draaglijk, maakt het mogelijk dat ik niet permanent met die innerlijke overtuiging bezig hoef te zijn, op mijn geloof gedrukt wordt om zo te zeggen. En dat is wat in het huidige maatschappelijk klimaat voortdurend gebeurt: wij zijn in Nederland van een naïef multiculturalisme in een massief culturalisme vervallen, dat alle problemen toeschrijft aan ‘cultuur’ en religie. (Naema Tahir beschreef dit vorige week nog in NRC-Handelsblad.) ‘Homosexualiteit is niet avondvullend’, is er wel eens ironisch opgemerkt – het wordt dat pas als ik permanent op mijn homo-zijn (als een probleem, als een taboe etc) wordt aangesproken en dus wordt teruggeworpen. Iets dergelijks speelt er vandaag ook bij religieuze identiteiten, ook die kunnen een obsessie worden en vervolgens ook, zoals de terroristisch geworden vroomheid ons vandaag inprent, extreem gewelddadig. De uiterlijke kant en de zichtbaarheid van religie kan ons hiertegen beschermen, een beetje zoals een monument voor de slachtoffers van een misdaad of een oorlog ons ontslaat van de plicht het hen aangedane onrecht permanent te herinneren, en zoals het graf van mijn ouders de plicht tot rouwen voor een deel van mij overneemt. Dan wordt het mogelijk dat wij ons geloof of onze ‘identiteit’(ook zo’n begrip dat momenteel alomtegenwoordig is) ook eens een tijdje vergeten. Met het oog waarop? De eerder genoemde Hannah Arendt had daar een eenvoudig antwoord op dat mijns inziens ook vandaag nog geldig is. We kunnen ons dan in Nederland samen mét de moslims gaan richten op de praktische problemen van het samenleven, en op de instandhouding en verdere uitbouw van wat ons samenleven mogelijk maakt: de objectiviteit van de door ons tot stand gebrachte ‘wereld’ van artefacten, instituties, rituelen en omgangsvormen. Want ook die beschermen ons tegen onze religieuze en anti-religieuze passies.
Noten 1. Siep Stuurman noemt in zijn artikel ‘Godsdienst is niet per se anti-modern’, in: NRC-Handelsblad, 7-10, 2003 vier van de hier gepresenterde zes antwoorden. 2. Zie Afshin Ellian, ‘Terug naar de Middeleeuwen’, in: NRC-Handelsblad, 19/20-01-08. Zie ook zijn eerdere column over dit onderwerp, ‘Tweeërlei politieke theologie’, in: NRC-Handelsblad, 5-1-08. 3. G.Ooms, ‘De aantrekkingskracht van een utopie’, in: De Morgen, 29-05-1995. 4. Koen Hagens, ‘Een paranoïde patient zonder zelfvertrouwen. Interview metr socioloog Willem Schinkel’, in: De Groene Amsterdammer, 14-12-07, 14-16. 5. Rudi Visker, Lof der zichtbaarheid, Amsterdam (Boom), 2007.
|
Dominicaans Studiecentrum |
|
| © DSTS 2005 |
home | wat is het dsts? | onderzoeksproject | medewerkers publicaties | studiedagen | organisatie | links |